Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO1147
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 16-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht en op goede gronden geen aanleiding gezien betrokkene gedurende de resterende duur van haar verblijf in het buitenland voor bijstand in aanmerking te brengen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/3656 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zoetermeer, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.H.J. Toxopeus, advocaat te Zoetermeer, op de bij een beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 mei 2001, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nog enkele nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Toxopeus en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante, geboren op 6 mei 1963 en in het bezit van de Nederlandse nationaliteit, is op 17 december 1999 met toestemming van gedaagde voor vier weken tezamen met haar jongste kind van 5 jaar naar Iran vertrokken. In de eerste week van januari 2000 heeft zij gedaagde laten weten dat zij vanwege diefstal van haar paspoort, vliegticket en geld niet (tijdig) kon terugkeren. Het recht op bijstand is door gedaagde per 1 januari 2000 opgeschort. Op 20 februari 2000 is appellante weer in Nederland teruggekeerd, waarna de uitkering is hervat.

Inmiddels had gedaagde bij besluit van 18 februari 2000 de uitkering van appellante met ingang van 1 december 1999 beŽindigd (lees: ingetrokken) op de grond dat zij haar inkomstenverklaring over de maand december 1999 niet heeft ingeleverd, zodat het recht op bijstand niet was vast te stellen.

Bij besluit van 6 maart 2000 heeft gedaagde de over de periode van 1 tot en met 31 december 1999 aan appellante betaalde bijstand tot een bedrag van f 1.708,39 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 21 juni 2000 heeft gedaagde de namens appellante tegen de besluiten van 18 februari 2000 en 6 maart 2000 gemaakte bezwaren gegrond verklaard met dien verstande dat gedaagde de intrekking (en opschorting) ongedaan heeft gemaakt, aan appellante nog uitkering heeft verleend tot en met 13 januari 2000 en het terugvorderingsbesluit heeft herroepen. Met betrekking tot de beperkte voortzetting van de uitkering heeft gedaagde overwogen dat appellante de voor haar gebruikelijke vakantieduur van vier weken heeft overschreden, dat vakantierechten naar vast beleid niet over twee jaar aaneengesloten kunnen worden benut en dat geen sprake is van zeer dringende redenen om gedurende het resterende tijdvak van verblijf in het buitenland tot bijstandsverlening over te gaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 21 juni 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.
Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw bepaalt voorts dat geen recht op bijstand heeft degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland. In het derde lid, van artikel 9 is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur genoemd in het eerste lid onder d.
De ter uitvoering van het derde lid van artikel 9 gegeven Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Circulaire Minister SZW van 18 maart 1998, nr.BZ/VOL/98/11018 en verder te noemen: de Regeling) bevat nadere regels met betrekking tot de verblijfsduur in het buitenland voor bijstandsgerechtigden.
Ingevolge deze Regeling wordt onder het begrip "gebruikelijke vakantieduur Abw" verstaan:
a. 13 weken per kalenderjaar (al dan niet aaneengesloten) voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is (hierna: a-categorie);
b. 4 weken per kalenderjaar (al dan niet aaneengesloten) voor de overige belanghebbenden (hierna: b-categorie).
Het verblijf in het buitenland voor een periode langer dan 13 weken aaneengesloten wordt blijkens de Regeling uit een oogpunt van doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel van de Abw onwenselijk geacht.

De Raad stelt voorop dat de Regeling zich er strikt genomen niet tegen verzet dat de bijstand van personen die vallen onder de zogenoemde b-categorie wordt voortgezet indien zij in twee opeenvolgende jaren langer dan vier weken (doch maximaal 8 weken) aaneengesloten in het buitenland verblijven. De duur van dat verblijf blijft immers binnen de grens van 13 weken, die uit een oogpunt van doelmatige controle en het territorialiteitsbeginsel aan personen uit de a-categorie wordt gesteld. Dat bij die aspecten uitsluitend de leeftijd een doorslaggevende rol zou spelen valt niet in te zien.

Dit laat echter onverlet dat het bestuursorgaan vrij is om ter zake beleidsregels te formuleren. Gedaagde heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door aan personen van de b-categorie niet toe te staan langer dan 4 weken aaneengesloten in het buitenland te verblijven, ook niet indien een deel van de periode dat zij per kalenderjaar met behoud van uitkering in het buitenland mogen verblijven wordt gecombineerd met een deel van de periode van het daarop volgende jaar. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat een dergelijk beleid de grenzen van een redelijke beleidsbepaling te buiten gaat. Daarbij wijst de Raad er op dat blijkens de wordingsgeschiedenis van de Regeling de ratio van de beperking van het toegestane verblijf in het buitenland kennelijk mede erop is berust dat degenen op wie arbeidsverplichtingen in ruime zin rusten, zich niet langdurig aan de (Nederlandse) arbeidsmarkt mogen onttrekken omdat anders de nodige mogelijkheden tot inschakeling in de arbeidsmarkt verloren kunnen gaan.

De Raad stelt voorts vast dat gedaagde dit beleid in dit geval niet onjuist heeft toegepast of evenmin anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel. Vaststaat immers dat appellante ten tijde in geding niet behoorde tot de a-categorie, dat haar de arbeidsverplichtingen bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw waren opgelegd en dat zij langer dan de toegestane periode in het buitenland heeft verbleven. Van bijzondere feiten of omstandigheden die gedaagde hadden moeten nopen om appellante niettemin, in afwijking van evenbedoeld beleid, gedurende een langer tijdvak verblijf in het buitenland (met behoud van uitkering) toe te staan, is de Raad niet gebleken.
Gelet hierop heeft gedaagde terecht en op goede gronden geen aanleiding gezien appellante ook nog na 13 januari 2000, gedurende de resterende duur van haar verblijf in het buitenland, voor bijstand in aanmerking te brengen.

Appellante heeft eveneens de stelling betrokken dat gedaagde in de overmachtsituatie waarin zij verkeerde aanleiding had moeten vinden om op grond van zeer dringende redenen bedoeld in artikel 11 van de Abw tot bijstandverlening over te gaan. De Raad ziet daartoe geen grond.
Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 11 van de Abw is van zeer dringende redenen slechts sprake indien zich een acute noodsituatie voordoet en de behoeftige omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen. Naar het oordeel van de Raad bieden de stukken en het verhandelde ter zitting onvoldoende grond om het bestaan van een dergelijke uitzonderingssituatie aan te nemen. Dit houdt volgens de Raad in dat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam, om in afwijking van bovenvermelde bepalingen, appellante ook voor de resterende duur van haar verblijf in het buitenland bijstand te verlenen.

Gelet op het voorgaande komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16 december 2003.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x