Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO2024
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-12-2003
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Hoogte van de rentedragende lening aan de betrokken zelfstandige. Een motivering van een uitspraak die mede gebaseerd is op een besluit dat na de sluiting van het onderzoek ter zitting is ingezonden, is in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/5293 BZ, 03/6050 BZ en 03/6051 BZ




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Gravenhage op 22 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg. nr. 00/5930 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 november 2003, waar appellant in persoon is verschenen, terwijl gedaagde en de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage - zoals aangekondigd - zich niet hebben doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als eiser is aangeduid, en gedaagde als verweerder - ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden:
"Verweerder heeft bij besluit van 4 juli 1996 aan eiser op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) en het Bijstandsbesluit Zelfstandigen (BZ) over de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1996 uitkering ter voorziening in de noodzakelijke bestaanskosten toegekend tot een bedrag van f 5.130,39 in de vorm van een renteloze lening.

Bij besluit van 29 augustus 1997 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat de vorm van de toegekende uitkering is gewijzigd tot een bedrag van f 2.808,86 in een uitkering als gift en tot een bedrag van f 2.321,53 in een rentedragende geldlening.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 6 september 1997, aangevuld bij brief van 12 september 1997, bezwaar gemaakt bij verweerder. Dit bezwaar is bij besluit van 3 februari 1998 door verweerder ongegrond verklaard. Het door eiser daartegen ingestelde beroep is bij uitspraak van deze rechtbank van 16 december 1998 gegrond verklaard op de grond dat verweerder bij het bestreden besluit een inconsistente beslissing had genomen door enerzijds toepassing te geven aan artikel 20 BZ en anderzijds aan artikel 21 BZ. De rechtbank was van oordeel dat gelet op deze inconsistentie het besluit niet ruste op een deugdelijke motivering, zodat het besluit in strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Awb was genomen. De rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak."

Bij besluit van 11 april 2000 heeft gedaagde het door appellant gemaakte bezwaar tegen het besluit van 29 augustus 1997 wederom ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen dit besluit van 11 april 2000 beroep ingesteld. Hangende dit beroep is bij brief van 7 september 2000 in het geding gebracht het ongedateerde besluit van de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Commissie), welk besluit in de plaats is gekomen van het besluit van 11 april 2000. Bij dat ongedateerde besluit is het besluit van 29 augustus 1997 in zoverre aangepast dat de uitkering die over de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1996 tot een bedrag van f 5.130,39 is verstrekt in de vorm van een renteloze geldlening, is gewijzigd tot een bedrag van f 2.808,86 in een uitkering als gift en tot een bedrag van f 2.321,53 in een renteloze lening.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 juni 2001. Nadat de rechtbank ter zitting het onderzoek had gesloten, heeft gedaagde bij brief van 15 augustus 2001 de rechtbank een besluit van 31 juli 2001 doen toekomen. Bij dit besluit heeft gedaagde, aangezien niet de Commissie, maar gedaagde bevoegd was (opnieuw) te beslissen op het bezwaar van appellant, in gelijke zin beslist als de Commissie bij haar ongedateerde besluit heeft gedaan.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft in hoger beroep zijn bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden herhaald.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt eerst ambtshalve vast dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) door de motivering van haar uitspraak mede te baseren op het besluit van gedaagde van 31 juli 2001, dat door gedaagde is genomen en ingezonden nadat het onderzoek van het ingestelde beroep ter zitting was gesloten. Indien, zoals in dit geval, nadien door een partij een nader stuk wordt ingediend dat door de rechtbank nog in het geding wordt toegelaten, brengt een goede procesorde met zich dat de rechtbank gebruik maakt van haar bevoegdheid tot heropening van het onderzoek om de andere partij in de gelegenheid te stellen zich over de inhoud van het stuk uit te laten.

Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak niet op juiste wijze tot stand is gekomen, zodat deze dient te worden vernietigd.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting acht de Raad het niet noodzakelijk dat de zaak opnieuw door de rechtbank wordt behandeld, zodat de zaak niet behoeft te worden teruggewezen naar de rechtbank 's-Gravenhage.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Het bij brief van 7 september 2000 in het geding gebrachte nadere besluit van de Commissie is nadien door gedaagde bekrachtigd bij besluit van 31 juli 2001. Daarmee is niet (volledig) tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellant. Gelet hierop ziet de Raad in dit geval aanleiding om met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb evengenoemde besluiten mede in zijn beoordeling te betrekken. Deze besluiten strekken tot intrekking van het besluit van 11 april 2000 en zijn daarvoor in de plaats gekomen. De vraag rijst of nog een belang resteert bij een inhoudelijke beoordeling van het ingetrokken besluit. Dat belang kan gelegen zijn in een aanspraak op schadevergoeding. Aangezien appellant geen verzoek heeft gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Awb, is de Raad van oordeel dat appellant geen belang meer heeft bij een beslissing op zijn beroep tegen het besluit van 11 april 2000. Dit brengt mee dat het beroep van appellant tegen het besluit van 11 april 2000 niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het hiervoor genoemde besluit van de Commissie komt als onbevoegd genomen voor vernietiging in aanmerking.

Met betrekking tot het besluit van 31 juli 2001 overweegt de Raad als volgt.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat de beroepsgronden van appellant gelijk zijn aan hetgeen hij bij de rechtbank in de vorige procedure heeft aangevoerd tegen het besluit van 3 februari 1998. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 16 december 1998 dit besluit op formele gronden vernietigd, doch tevens de door appellant aangevoerde - materiële - beroepsgronden verworpen.
Nu tegen die uitspraak geen hoger beroep is ingesteld, heeft de rechtbank zich bij de - thans - aangevallen uitspraak terecht op het standpunt gesteld dat die gronden in de onderhavige beroepsprocedure niet meer - inhoudelijk - aan de orde konden komen.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 31 juli 2001 ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 18,06 in hoger beroep voor reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 11 april 2000 niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen het ten aanzien van appellant door de Commissie genomen besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Verklaart het beroep voorzover dit geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 31 juli 2001 ongegrond;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 18,06, te betalen door de gemeente 's-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 december 2003.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x