Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO2980
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de Rww-uitkering terecht beŽindigd omdat betrokkene in verband met activiteiten als zelfstandige in de videobranche niet meer als werkloze werknemer in de zin van de Rww is aan te merken en is de hoogte van het terug te vorderen bedrag juist vastgesteld?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4959 NABW en 02/2975 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. H.A. Schenke, advocaat te Nijmegen, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Roermond op respectievelijk 6 augustus 2001 en 24 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraken, reg.nrs. respectievelijk 01/408 NABW en 01/790 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Appellant heeft aanvullende stukken ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 16 december 2003, waar voor appellant is verschenen mr. Schenke, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.J.A.M. Meurkens, werkzaam bij de gemeente Venlo.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende, in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving sedert 1990 met onderbrekingen achtereenvolgens uitkeringen ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) en - met ingang van 1 juli 1996 - op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

De aan appellant toegekende uitkering ingevolge de Rww is bij besluit van 2 februari 1993 met ingang van 1 januari 1993 beŽindigd, omdat hij in verband met activiteiten als zelfstandige in de videobranche niet meer als werkloze werknemer in de zin van de Rww zou zijn aan te merken. Bij uitspraak van 12 december 1995, reg.nrs. 94/1201 en 94/1202, heeft de Raad het bestreden besluit vernietigd aangezien de feiten welke ten grondslag zijn gelegd aan het besluit om appellant ingaande 1 januari 1993 niet langer als werkloze werknemer aan te merken, onvoldoende zijn om die beslissing te kunnen dragen.

Uit een voorlopig onderzoek van de Sociale Recherche, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het rapport van 14 september 2000, is gebleken dat appellant al geruime tijd en op grote schaal bedrijfsmatig werkzaam is in de videobranche (onder meer door handel op de vrije markt in Cuijk) en dat hij die werkzaamheden alsmede de inkomsten hieruit niet heeft opgegeven aan gedaagde.

Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 18 september 2000 de uitkering van appellant beŽindigd (lees: ingetrokken) met ingang van 1 augustus 2000. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 12 december 2000 ongegrond verklaard.

Op basis van nadere onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, neergelegd in het rapport van 21 november 2000, heeft gedaagde voorts bij besluit van 19 december 2000 de uitkering van appellant herzien (lees: ingetrokken) over de periode van 1 januari 1996 tot 1 augustus 2000 en de gedurende deze periode verleende bijstand ten bedrage van f 111.241,74 van appellant teruggevorderd. Het namens appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 30 mei 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 augustus 2001 heeft de rechtbank het beroep ingesteld tegen het besluit van 12 december 2000 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe onder meer overwogen dat appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw bedoelde inlichtingenplicht heeft geschonden en dat het niet nakomen van deze verplichting heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand.

Bij uitspraak van 24 april 2002 heeft de rechtbank het beroep gericht tegen het besluit van 30 mei 2001 gegrond verklaard en het besluit, voorzover er geen toepassing is gegeven aan de juiste wettelijke bepalingen, vernietigd alsmede bepaald dat de rechtsgevolgen van het in zoverre vernietigde besluit in stand blijven.

Ten slotte is een beslissing genomen ter zake van het griffierecht.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen beide uitspraken gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.



Met betrekking tot de intrekking en de terugvordering van 1 januari 1996 tot 1 augustus 2000

De Raad is van oordeel dat gedaagde op grond van de beschikbare gegevens heeft kunnen aannemen dat appellant in de in geding zijnde periode inkomsten uit handel in de videobranche heeft gehad. Uit de onderzoeksrapporten van de Sociale Recherche van respectievelijk 14 september 2000 en 21 november 2000 is onder meer gebleken dat:
- appellant in de periode in geding op de vrije zaterdagmarkt te Cuijk een vaste standplaats, de laatste drie jaar twee standplaatsen, voor de verkoop van voornamelijk videofilms en aanverwante artikelen heeft gehad;
- appellant een professionele audio/videostudio in zijn woning had om videobanden te kopiŽren;
- appellant grote hoeveelheden videobanden, waaronder een zeer groot aantal illegale kopieŽn in zijn bezit had;
- appellant in de loop der jaren omvangrijke investeringen in bedrijfsmatige goederen heeft gedaan;
- appellant bedrijfsmatige werkzaamheden verrichtte en advertenties plaatste voor het bemiddelingsbureau Particuliere Post Service (P.P.S.) en inkomsten genoot uit diverse vormen van bemiddeling
- appellant videorapportages en videomontages tegen betaling maakte onder de naam Audio Video Service (A.V.S.);
- appellant gedurende drie jaar de Gouden Gids tegen betaling heeft bezorgd.

Dat - zoals appellant heeft gesteld - slechts sprake zou zijn van hobbymatige activiteiten kan niet staande worden gehouden. De aard en omvang van de geconstateerde activiteiten van appellant zijn immers dusdanig dat de grens van wat nog als hobbymatige activiteiten kan worden beschouwd verre wordt overschreden.

Van voormelde activiteiten, die onmiskenbaar op geld waardeerbaar en dus van belang zijn voor (de beoordeling van) het recht op bijstand, heeft appellant ten onrechte geen melding gemaakt aan gedaagde. Dat appellant beweerdelijk na aftrek van zijn kosten geen of nauwelijks inkomsten overhield aan zijn activiteiten in de videobranche maakt dit niet anders, nu hij verplicht was aan gedaagde onder overlegging van bewijsstukken tijdig, volledig en nauwkeurig opgave te doen van zijn werkzaamheden en de daaruit genoten inkomsten. Door dit na te laten heeft hij het risico genomen dat hij in het kader van het fraudeonderzoek niet (meer) zou beschikken over bewijsstukken om de hoogte van zijn inkomsten aan te tonen. De gevolgen daarvan dienen voor zijn rekening te blijven. De naderhand door hem ingezonden stukken hebben betrekking op een latere periode en zijn reeds daarom voor het onderhavige geding niet relevant.
Als gevolg van de schending van de op appellant rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk artikel 65, eerste lid (tekst vůůr en na 1 juli 1997) van de Abw kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate hij in deze periode verkeerde in omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de Abw.

In het voorgaande ligt besloten dat appellant in de in geding zijnde periode geen recht op bijstand had, zodat gedaagde gehouden was, met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 1997 onder toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, de uitkering in te trekken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 1 januari 1996 tot 1 juli 1996 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en met betrekking tot het tijdvak van 1 juli 1996 tot 1 augustus 2000 aan de voorwaarden van artikel 81, eerste lid (tekst vůůr en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, is de Raad niet gebleken.

Namens appellant is nog aangevoerd dat hij aan de bovengenoemde uitspraak van de Raad van 12 december 1995, waarbij het besluit tot beŽindiging van de uitkering is vernietigd, het vertrouwen ontleende dat hij binnen zekere grenzen als zelfstandige mocht werken en de inkomsten hieruit niet behoefde op te geven aan gedaagde. De Raad kan appellant hierin niet volgen. De Raad is op geen enkele manier gebleken dat appellant vanwege gedaagde mededelingen zijn gedaan waaraan hij in rechte te honoreren verwachtingen kon ontlenen dat hij ondanks deze activiteiten onverkort recht op bijstand zou behouden. De Raad tekent hierbij nog aan dat in zijn bovengenoemde, eerdere uitspraak een andere rechtsvraag voorlag. Bovendien laat een en ander onverlet dat appellant gehouden is zijn wettelijke inlichtingenverplichting na te komen.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank ten aanzien van de intrekking en de terugvordering materieel juist heeft geoordeeld. Voorts heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de intrekking en terugvordering niet op een juiste wettelijke grondslag berusten nu vanaf 1 juli 1996 de bepalingen van de Abw op appellant van toepassing zijn.

Wel stelt de Raad vast dat de rechtbank eraan voorbij heeft gezien dat de intrekking alleen wat betreft het tijdvak 1 juli 1997 tot 1 augustus 2000 op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a,van de Abw kan worden gebaseerd, nu dit artikel eerst met ingang van 1 juli 1997 in werking is getreden.

Met in achtneming van het vorengaande dient de uitspraak van 24 april 2002 voorzover aangevochten te worden bevestigd.



Met betrekking tot de intrekking met ingang van 1 augustus 2000

De Raad verstaat het besluit van 12 december 2000 aldus dat gedaagde de intrekking heeft gegrond op de overweging dat appellant van 1 augustus 2000 tot en met 18 september 2000, de datum van het primair besluit, geacht moet worden over voldoende middelen te beschikken om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Anders dan gedaagde is de Raad evenwel van oordeel dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat appellant met zijn werkzaamheden gedurende de in geding zijnde periode meer heeft verdiend dan de toepasselijke bijstandsnorm. In zoverre berust het besluit van 12 december 2000 dan ook op een onjuiste wettelijke grondslag.

Voorzover gedaagde de intrekking (mede) heeft gestoeld op uitsluitend schending van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw oordeelt de Raad dat ook die grond de intrekking niet kan dragen. Immers volgens vaste jurisprudentie van de Raad biedt de enkele schending van de inlichtingenplicht op zichzelf geen toereikende basis voor de conclusie dat geen recht bestaat op uitkering.

Gelet hierop komt het besluit van 12 december 2000 wegens strijd met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. Ook de aangevallen uitspraak van 6 augustus 2001, waarbij dat besluit in stand is gelaten, dient te worden vernietigd.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het besluit van 12 december 2000 in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.

Aangezien de feitelijke situatie per 1 augustus 2000 niet wezenlijk verschilt van evenmelde, onder het voorgaande kopje beschreven situatie is ook op die datum voldoende komen vast te staan dat appellant werkzaamheden heeft verricht en daaruit inkomsten heeft ontvangen. Door van deze activiteiten en de daaruit verworven inkomsten geen melding te maken aan gedaagde heeft appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenplicht geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand over de periode van 1 augustus 2000 tot 18 september 2000 evenmin is vast te stellen.

In het voorgaande ligt besloten dat appellant gedurende de in geding zijnde periode geen recht op bijstand had, zodat gedaagde gehouden was de aan appellant verstrekte uitkering met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw in te trekken. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om van intrekking af te zien.

De Raad acht het aangewezen de aangevallen uitspraak van 6 augustus 2001 geheel te vernietigen. Doende wat de rechtbank had behoren te doen zal de Raad met gegrondverklaring van het beroep het besluit van 12 december 2000 vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand laten.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Inzake 02/2975 NABW:

Bevestigt de aangevallen uitspraak van 24 april 2002 voorzover aangevochten.

Inzake 01/4959 NABW:

Vernietigt de aangevallen uitspraak van 6 augustus 2001;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 12 december 2000 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een totaalbedrag van Ä 1.288,- te betalen door gemeente Venlo aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Venlo appellant het door hem betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x