Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO3146
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 03-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Terugvordering van de bijstand omdat betrokkene uitkering ingevolge de ZW heeft genoten en van deze inkomsten geen opgave heeft gedaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4664 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E. van den Boogaard, advocaat te Amsterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 12 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/3448 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van den Boogaard en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden, waarvan de juistheid door partijen niet is bestreden.

Appellante ontving sedert 17 januari 1995 achtereenvolgens een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en - met ingang van 1 december 1996 - op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Uit een onderzoek van de Sociale Recherche, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 23 april 1997, is gebleken dat appellante over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 een uitkering ingevolge de Ziektewet heeft genoten. Appellante heeft dit inkomen niet opgegeven aan gedaagde.

Naar aanleiding van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij besluit van 18 november 1999 het recht van appellante op uitkering herzien en de kosten van bijstand over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 tot een bedrag van fl 18.424,35 netto van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 12 mei 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 november 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het besluit van 12 mei 2000 bij uitspraak van 12 juli 2001 eveneens ongegrond verklaard.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat de herziening van het recht op uitkering over de periode van 23 maart 1995 tot en met 20 maart 1996 niet in geschil is. Onbetwist is dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet (ABW) is voldaan. Ook de hoogte van het teruggevorderde bedrag is als zodanig niet bestreden. Partijen verschillen uitsluitend nog van mening over de vraag of in dit geval sprake is van dringende redenen, in welk geval de bevoegdheid bestaat om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 55, derde lid, van de ABW dient toepassing van dit artikellid te worden overwogen indien terugvordering te ernstige gevolgen voor de betrokkene of de gezinssituatie heeft.

De namens appellante aangevoerde persoonlijke omstandigheden ten tijde van het ontstaan van de vordering kunnen niet als consequenties als hiervoor bedoeld worden aangemerkt.

Dat appellante wegens haar financiŽle situatie niet in staat zou zijn het bedrag terug te betalen, kan niet als een dringende reden worden aangemerkt. De Raad wijst er daarbij op dat bij terugvordering de aflossingsbedragen zo worden vastgesteld dat de betrokkene blijft beschikken over de beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Ook overigens is de Raad niet gebleken van dringende redenen als hier bedoeld.

Gezien het voorgaande dient de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 februari 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x