Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO3782
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Vorm van de bijstand; het beschikken over in de (niet zelf bewoonde) woning gebonden vermogen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/6154 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. L.E. Nijk, advocaat te Zwolle, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 3 december 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 03/352 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Nijk heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 januari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Nijk en [dochter].
Als tolk is verschenen E.M. Loukili. Gedaagde heeft zich doen vertegenwoordigen door A. van der Brug, werkzaam bij de gemeente Zwolle.




II. MOTIVERING


Appellante, geboren in 1928, woont sedert maart 1989 in Nederland. Met ingang van 15 september 1992 heeft gedaagde haar algemene bijstand toegekend, laatstelijk naar de norm voor een alleenstaande van 65 jaar of ouder. Haar ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) werd op haar bijstandsuitkering in mindering gebracht. Zij ontvangt dagbehandeling in het verpleeg- en reactiveringscentrum Het Zand te Zwolle in verband met beperkingen op lichamelijk en communicatief gebied en wordt verder thuis verzorgd door haar dochter [dochter], die tevens tot haar mentor is benoemd.

Uit onderzoek van de Regionale Sociale Recherche Zwolle e.o. is gebleken dat appellante eigenaresse is van een woning te Salť Tabriquet (Marokko). Op verzoek van de Nederlandse Ambassade te Rabat is de waarde van deze woning op 28 mei 2002 getaxeerd. De verkoopwaarde ervan werd door de taxateur vastgesteld op 358.000 Dirham (circa Ä 35.800,--).

Bij besluit van 2 september 2002 heeft gedaagde - ten einde appellante in de gelegenheid te stellen het in de woning gebonden vermogen te gelde te maken - bepaald dat de bijstandsverlening aan appellante wordt voortgezet tot uiterlijk 1 december 2002 en appellante tevens een boete opgelegd van Ä 45,-- wegens schending van de aan de bijstandsuitkering verbonden inlichtingenverplichting.

Namens appellante is tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar strekt tot ongedaanmaking van de beŽindiging van de bijstand en is niet gericht tegen de opgelegde boete. Mr. Nijk heeft daarbij aangegeven dat appellante door een ernstige handicap niet in staat is om een rechtshandeling als het verkopen van een onroerende zaak te verrichten en dat daarvoor een gerechtelijke voorziening moet worden getroffen. Hij heeft vervolgens op 25 november 2002 namens appellante een verzoek tot onderbewindstelling ingediend bij de kantonrechter te Zwolle.

Bij besluit van 11 februari 2003 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 2 september 2002 gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de beŽindiging van de bijstand gesteld op (uiterlijk) 11 mei 2003. Voorts heeft gedaagde bepaald dat de bijstand ingaande 1 september 2002 wordt verleend in de vorm van een geldlening op de grond dat redelijkerwijs kan worden aangenomen dat appellante op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Namens appellante is tegen het besluit van 11 februari 2003 beroep ingesteld. De voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle heeft bij uitspraak van 26 mei 2003 bepaald dat aan appellante de bijstandsuitkering in de vorm van leenbijstand wordt voortgezet tot de datum waarop in de bodemprocedure uitspraak is gedaan. Vervolgens heeft de rechtbank Zwolle bij de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard, waarna gedaagde de betaling van de bijstand aan appellante heeft gestaakt per 1 januari 2004.

Namens appellante is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Volgens haar gemachtigde had de bijstand (ook) vanaf 1 september 2002 om niet behoren te worden verleend en had de bijstandsverlening door gedaagde behoren te worden voortgezet, aangezien appellante feitelijk niet over haar in de woning gebonden vermogen kan beschikken.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



A. Vorm van de bijstand

In artikel 19 van de Algemene bijstandswet (Abw) is het uitgangspunt neergelegd dat de bijstand om niet wordt verleend, tenzij in deze wet anders is bepaald.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder a, van de Abw kan bijstand worden verleend in de vorm van een geldlening indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de belanghebbende op korte termijn over voldoende middelen zal beschikken om over de betreffende periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Blijkens de wetsgeschiedenis kan dit artikelonderdeel worden toegepast indien redelijkerwijs kan worden aangenomen (bijvoorbeeld vanwege het bestaan van een aanspraak) dat de belanghebbende op korte termijn ten aanzien van de periode waarover hij bijstand vraagt alsnog voldoende middelen tot zijn beschikking krijgt (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 129).

Naar het oordeel van de Raad is in dit geval - beoordeeld naar de situatie in de periode van 1 september 2002 tot en met 10 mei 2003 - niet aan deze voorwaarde voldaan. Op grond van de door de gemachtigde van appellante overgelegde stukken met betrekking tot de beperkingen van appellante en het verzoek tot onderbewindstelling acht de Raad het aannemelijk dat ten aanzien van appellante in de hier van belang zijnde periode redelijkerwijs niet kon worden aangenomen dat zij op korte termijn de betreffende woning met bijbehorende grond te gelde had kunnen maken. In de op 25 november 2002 voor haar gevraagde benoeming van een bewindvoerder was niet, ook niet tijdelijk, voorzien. Nu zich in het geval van appellante evenmin een van de overige in de Abw genoemde gevallen voordeed waarin de bijstand in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt, diende de algemene bijstand in overeenstemming met de in artikel 19 van de Abw opgenomen hoofdregel om niet te worden verleend.



B. BeŽindiging van de bijstand

In artikel 51 en volgende van de Abw is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan en welke vermogensbestanddelen, die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen, als vermogen in aanmerking worden genomen. Artikel 51, aanhef en eerste lid bepaalt, voorzover hier belang, dat onder vermogen wordt verstaan:
a. de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip bestaande schulden.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet, mede gelet op artikel 7 van de Abw, de term beschikken zo worden uitgelegd, dat hij ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te kunnen voorzien (zie de uitspraak van 12 januari 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/96 en USZ 1999/78). Met betrekking tot het in het in de onderhavige onroerende zaak in Marokko gebonden vermogen betekent dit, dat deze als in aanmerking te nemen bezitting kan worden beschouwd waarover appellante beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, indien vaststaat dan wel redelijkerwijs aannemelijk is dat zij op 11 mei 2003 de woning had kunnen verkopen. Gelet op de inhoud van de onder A. vermelde stukken is de Raad van oordeel dat appellante op 11 mei 2003 redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht door middel van verkoop het in haar woning in Marokko gebonden vermogen te gelde te maken.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 11 februari 2003, in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), niet op een deugdelijke motivering berust. De aangevallen uitspraak dient daarom te worden vernietigd. De Raad zal daarbij bepalen dat gedaagde met inachtneming van de uitspraak van de Raad binnen drie weken een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen.

Met het oog op deze te nemen beslissing overweegt de Raad nog het volgende.

Namens appellante is nadrukkelijk gesteld dat zij in Nederland wil blijven wonen en aangewezen is op de medische voorzieningen hier te lande. Gelet hierop en op het karakter van de bijstandswetgeving als laatste bestaansvoorziening mag in redelijkheid van appellante worden verlangd dat zij het in haar woning in Marokko gebonden vermogen door verkoop te gelde maakt en dit liquide gemaakte vermogen, voorzover dit meer zal bedragen dan de toepasselijke vermogensgrens, vervolgens gaat aanwenden voor haar levensonderhoud in Nederland. Het bezwaren van de onroerende zaak in Marokko met het recht van hypotheek, zoals door gedaagde in het besluit van 11 februari 2003 als alternatief naast verkoop van die onroerende zaak vermeld, komt de Raad in dit geval, gelet op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellante, niet als een reŽle mogelijkheid voor. De Raad onderkent voorts dat tegeldemaking nadelige gevolgen zal hebben voor de kinderen van appellante in Marokko, maar hun belangen behoeft gedaagde niet mee te wegen bij het opleggen van een tot (tijdelijke) vermindering of beŽindiging van bijstand strekkende verplichting aan gedaagde, omdat deze kinderen geen subject van bijstand zijn.

De Raad stelt verder vast dat de kantonrechter in zijn beschikking van 4 augustus 2003 heeft overwogen dat al voor de dagelijkse kwesties van vermogensrechtelijke aard van betrokkene in Nederland haar belangen door een derde dienen te worden waargenomen. Tegen de voorgestelde benoeming van [dochter] tot bewindvoerster gerezen bezwaren zijn volgens de kantonrechter van zodanig gewicht dat van benoeming van deze dochter tot bewindvoerster moet worden afgezien. De kantonrechter heeft daarop de gemachtigde van appellante in de gelegenheid gesteld een bereidverklaring (om tot bewindvoerder te worden benoemd) over te leggen van ťťn van de in Marokko woonachtige kinderen. Uit een door mr. Nijk overgelegde afschrift van een aan de griffier van de sector kanton van de rechtbank Zwolle verzonden e-mail van 8 december 2003 blijkt echter dat de in Marokko woonachtige kinderen van appellante in het geheel niet bereid zijn een benoeming tot bewindvoerder te aanvaarden. Ter zitting van de Raad heeft mr. Nijk desgevraagd meegedeeld dat de kantonrechter de zaak heeft aangehouden en nog geen nadere beschikking heeft gegeven op het verzoek tot onderbewindstelling.

Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingsbesluit Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 386) in combinatie met het gegeven dat de in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, 203) bedoelde verordeningen nog niet tot stand zijn gekomen, stelt de Raad vervolgens vast dat in de gemeente Zwolle thans onder meer de artikelen 14 en 106 van de Abw nog van kracht zijn. Teneinde nu te bevorderen dat appellante, ondanks het vorenstaande, het vermogen in haar woning in Marokko te gelde kan gaan maken wijst de Raad er op dat gedaagde op grond van artikel 106 van de Abw bevoegd is aan de (verdere) verlening van de bijstand de verplichting te verbinden dat appellante onverwijld de kantonrechter verzoekt om een bewind in te stellen over de haar in eigendom toebehorende woning, daarbij of zo spoedig mogelijk daarna een professionele bewindvoerder te benoemen en deze, voorzover appellante daartoe naar het oordeel van de kantonrechter zelf niet in staat is, machtiging te verlenen voor het beschikken en aangaan van overeenkomsten tot beschikking over die woning, als bedoeld in artikel 1:441, tweede lid, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek.

Ter voorlichting van appellante merkt de Raad op dat gedaagde in geval van het niet of niet behoorlijk nakomen van een dergelijke verplichting volgens het thans in de gemeente Zwolle nog van kracht zijnde wettelijke regime in beginsel gehouden is om met toepassing van artikel 14 van de Abw de bijstand aan appellante tijdelijk geheel of gedeeltelijk te weigeren. Zodra op grond van overgangs- en invoeringsrecht artikel 18, tweede lid, van de Wet werk en bijstand door gedaagde kan worden toegepast, zal gedaagde in dat geval in beginsel bevoegd zijn tot verlaging van de bijstand aan appellante over te gaan met inachtneming van het bepaalde in de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van laatstgenoemde wet.

Tevens is er aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb het beŽindigingsbesluit van 2 september 2002 te schorsen en te bepalen dat de verlening van algemene bijstand aan appellante naar de voor haar geldende norm onder aftrek van haar AOW-uitkering wordt voortgezet vanaf 1 januari 2004. Deze voorlopige voorziening vervalt zes weken na de datum waarop het te nemen nieuwe besluit op bezwaar is bekendgemaakt.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde in de proceskosten te veroordelen. Deze kosten worden begroot op Ä 644,-- in beroep en op Ä 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 11 februari 2003;
Bepaalt dat gedaagde binnen drie weken na de dag van verzending van het afschrift van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen;
Schorst het beŽindigingsbesluit van 2 september 2002 en bepaalt dat de verlening van algemene bijstand aan appellante naar de voor haar geldende norm onder aftrek van haar AOW-uitkering wordt voortgezet vanaf 1 januari 2004 tot zes weken na de datum waarop het te nemen nieuwe besluit op bezwaar is bekendgemaakt;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot Ä 1.288,--, te betalen door de gemeente Zwolle aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Zwolle het betaalde griffierecht van in totaal Ä 118,-- aan appellante vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x