Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO3840
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Heeft betrokkene, in strijd met artikel 65, eerste lid, van de Abw, onjuiste inlichtingen verstrekt over zijn feitelijke woonadres zodat niet vastgesteld kon worden of recht op bijstand bestond?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/4140 NABW en 01/4310 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. M.J.E. Gilsing, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 21 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 00/11603 ABW en 00/11605 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift, met bijlagen, ingediend.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 6 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Gilsing, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant ontving over de periode van 28 oktober 1998 tot 1 maart 2000 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het recht van appellant op bijstand over de periode van 10 december 1998 tot en met 29 februari 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode betaalde bijstand tot een bedrag van f. 23.633,74 van hem teruggevorderd. Bij besluit van 3 mei 2000 heeft gedaagde appellant een boete van f. 3.625,-- opgelegd. Aan deze besluiten is ten grondslag gelegd dat appellant, in strijd met artikel 65, eerste lid, van de Abw, onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn feitelijke woonadres zodat niet kon worden vastgesteld of appellant recht op bijstand had.

Gedaagde heeft bij twee afzonderlijke besluiten van 22 september 2000 de tegen de besluiten van 27 april 2000 en 3 mei 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het besluit van 22 september 2000 terzake de opgelegde boete, met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht, gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en de hoogte van de boete gewijzigd vastgesteld. Het beroep tegen het besluit van 22 september 2000 inzake de intrekking en terugvordering van bijstand is daarbij ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt het volgende.

Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie. Daarnaast is een belanghebbende gehouden juiste en volledige informatie over zijn woonadres te verstrekken aangezien dat gegeven van essentieel belang is voor de verlening van bijstand.

Vaststaat dat appellant in de periode van 10 december 1998 tot 23 maart 2000 bij de bevolkingsadministratie stond ingeschreven aan het adres [adres], dat hij bij de aanvraag om bijstand heeft verklaard dat hij daar inwonend was bij de heer [medebewoner] (verder : [medebewoner]) en dat hij maandelijks een vast bedrag aan huur betaalde. Verder is de Raad uit de gedingstukken gebleken dat [medebewoner] over de in geding zijnde periode aan de woningbouwvereniging huur heeft betaald voor deze woning.

Gedaagde heeft zijn standpunt dat appellant ten tijde in geding niet in de woning aan het [adres] woonde, in hoofdzaak gebaseerd op de op 14 maart 2000 van de afdeling Bijzonder Onderzoek ontvangen informatie dat de energie- en watertoevoer in deze woning vanaf 16 april 1999 respectievelijk 25 mei 1999 was afgesloten.

De Raad ziet daarin evenwel onvoldoende feitelijke grondslag voor het oordeel dat appellant ten tijde in geding, laat staan gedurende de gehele in geding zijnde periode, niet op het adres [adres] woonachtig is geweest. De later op 17 en 30 maart 2000 door appellant terzake van (illegaal) energie- en waterverbruik afgelegde verklaringen, die inderdaad niet geheel met elkaar stroken, maken dit niet anders. Ook de bevindingen tijdens het huisbezoek op 23 maart 2000 kunnen niet aan het standpunt van gedaagde bijdragen aangezien appellant toen al, nota bene met medeweten van gedaagde, naar een ander adres was verhuisd. Hetzelfde geldt voor de verklaring van een anonieme portiekbewoner nu deze verklaring te weinig concreet is.

Niet kan worden ontkend dat er aanwijzingen waren dat appellant niet gedurende de gehele periode in geding op meergenoemd adres heeft gewoond, doch dat had voor gedaagde aanleiding kunnen en moeten vormen tijdig een gericht onderzoek in te stellen naar de feitelijk woonsituatie. Dit geldt temeer nu er bij gedaagde kennelijk al eerder twijfel was gerezen rond het werkelijke woonadres van appellant.

Uit het voorgaande volgt dat het besluit van 22 september 2000, voorzover dit ziet op de intrekking van het recht op bijstand, wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking komt. Daarmee is tevens gegeven dat aan de besluiten van 22 september 2000, voorzover deze zien op de terugvordering van ten onrechte verstrekte bijstand en de oplegging van een boete de grond is komen te ontvallen, zodat ook deze in zoverre dienen te worden vernietigd. Dit betekent voorts dat ook de aangevallen uitspraak in zijn geheel voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet aanleiding te bepalen dat gedaagde nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten van appellant in hoger beroep, vastgesteld op 644,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover deze ziet op griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep tegen beide besluiten van 22 september 2000 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat gedaagde twee nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van 644,-- te betalen door de gemeente 's-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van totaal 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2004.

(get.) R.H.M. Roelofs.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x