Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO4696
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Maatregel van 10% gedurende n maand omdat betrokkene niet naar vermogen heeft getracht arbeid in loondienst te verkrijgen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4474 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 6 juli 2001, reg.nr. 01/54 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens appellant zijn bij brief van 25 september 2001 nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A Brouns, werkzaam bij de gemeente Roermond.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant ontvangt reeds geruime tijd een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.

Bij besluiten van 17 februari 1997 en 11 mei 1998 is aan appellant de arbeidsverplichting opgelegd als bedoeld in artikel 113 van de Abw. Hierbij heeft gedaagde overwogen dat - gelet op de medische beperkingen van appellant zoals verwoord in de door Gewestelijke Gezondheidsdienst Midden-Limburg (GGD) opgestelde adviezen - appellant geschikt is te achten voor arbeid zonder zware lichamelijke inspanning.

Bij besluit van 29 augustus 2000 is appellant een maatregel opgelegd bestaande uit een verlaging van de uitkering met 10% gedurende n maand ingaande 1 oktober 2000, op de grond dat appellant in de periode van 27 januari 1999 tot 15 augustus 2000 niet naar vermogen heeft getracht arbeid in loondienst te verkrijgen.
Tevens heeft gedaagde daarbij de uitkering van appellant gedurende twee dagen stopgezet wegens een te lang verblijf in het buitenland.

Het tegen dat besluit door appellant gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 6 december 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 6 december 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Hij heeft daarbij als enige grief naar voren gebracht dat hij ten tijde hier van belang volledig arbeidsongeschikt was, zodat hem ten onrechte wordt verweten dat hij onvoldoende pogingen in het werk heeft gesteld om passende arbeid te verkrijgen.

De Raad overweegt als volgt.

Omdat appellant in de periode voorafgaande aan het besluit van 29 augustus 2000 niet aantoonbaar heeft gesolliciteerd en evenmin bij uitzendbureaus stond ingeschreven, moet worden vastgesteld dat appellant, in strijd met de ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw de op hem rustende verplichting, niet naar vermogen heeft getracht arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Gelet op het bepaalde in artikel 14, eerste lid, van de Abw is gedaagde in beginsel dan ook gehouden een maatregel op te leggen.
De Raad ziet geen grond voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ten aanzien van de gedraging van appellant ontbreekt, in welk geval ingevolge artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw van het opleggen van een maatregel moet worden afgezien. De Raad overweegt in dit verband dat uit de stukken, anders dan appellant heeft aangevoerd, niet blijkt dat appellant in de in geding zijnde periode op medische gronden buiten staat was om te solliciteren of om lichte werkzaamheden te verrichten. De Raad verwijst in dit verband naar de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en maakt die tot de zijne. De - ook - in hoger beroep ingebrachte medische rapporten leiden de Raad op dit punt niet tot een ander oordeel, nu gedaagde bij het nemen van zijn besluiten in voldoende mate rekening heeft gehouden met de ook door de GGD Midden-Limburg geconstateerde medische beperkingen van appellant.
De opgelegde maatregel is vervolgens in overeenstemming met de bepalingen van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz.
De Raad niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan gedaagde de maatregel had moeten matigen (artikel 14, tweede lid, eerste volzin, van de Abw) noch van dringende redenen op grond waarvan gedaagde had kunnen beslissen van het opleggen van een maatregel af te zien (artikel 14, vierde lid, van de Abw).

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L. Jrg, en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jrg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x