Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO4705
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 24-02-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Het aannemelijk maken van de omvang van de oppaswerkzaamheden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4837 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appelllante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 27 juli 2001, reg.nr. 00/2707 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 januari 2004, waar voor appellante is verschenen mr. Van den Bogaard en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 29 januari 1985 een bijstandsuitkering, laatstelijk vanaf 1 juli 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een melding dat appellante oppaswerkzaamheden zou verrichten, heeft de sociale recherche van gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende uitkering. In dat kader zijn onder meer observaties gedaan en zijn appellante en twee getuigen verhoord. Op basis van de onderzoeksresultaten, neergelegd in een rapport van 13 april 1999 met bijlagen, heeft gedaagde bij afzonderlijke besluiten van 9 juni 1999 het recht op bijstand van appellante over de periode van 21 december 1995 tot en met 25 maart 1999 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 71.666,39 van haar teruggevorderd.

Bij besluit van 14 april 2000 heeft gedaagde de tegen de besluiten van 9 juni 1999 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellante de wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden met als gevolg dat haar recht op bijstand over de in geding zijnde periode achteraf niet meer is vast te stellen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling omtrent griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 april 2000 vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellante er niet in is geslaagd duidelijkheid te verschaffen omtrent de door haar gewerkte uren en de daaruit verkregen inkomsten.

Appellante heeft heeft zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd. Daarbij is benadrukt dat de door appellante gemaakte reconstructie van gewerkte uren en verdiensten voldoende betrouwbaar is om te dienen als leidraad voor de vaststelling van het recht op (aanvullende) bijstand over de in geding zijnde periode. Volgens appellante heeft de rechtbank daarom ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit op bezwaar in stand gelaten.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient bij de toetsing van een besluit op bezwaar waarbij is gehandhaafd de beëindiging dan wel de intrekking van bijstand op de grond dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand niet (meer) kan worden vastgesteld, rekening te worden gehouden met alle relevante gegevens die nadien beschikbaar zijn gekomen en die betrekking hebben op de datum respectievelijk de periode in geding.

Vaststaat dat appellante in de hier van belang zijnde periode werkzaam is geweest als oppas bij de familie [naam familie] voor dochter [naam dochter] (geboren op 6 september 1995), en dat zij van die werkzaamheden en de daaruit ontvangen inkomsten in en over die periode nimmer melding heeft gemaakt op de door haar ingevulde en aan gedaagde teruggezonden inkomstenformulieren, dan wel anderszins daarvan aan gedaagde mededeling heeft gedaan. Daarmee staat vast dat appellante in en over de betrokken periode de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw niet is nagekomen.
Gedaagde heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat als gevolg van die schending van de inlichtingenplicht het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet meer kan worden vastgesteld en om die reden de uitkering is ingetrokken.

Appellante heeft echter gesteld dat als zij de inlichtingenplicht wel naar behoren zou zijn nagekomen, aan haar over die periode aanvullende bijstand zou zijn verstrekt, zodat gedaagde ten onrechte tot volledige intrekking en terugvordering is overgegaan.
In dat verband heeft zij reeds in de bezwaarfase een zo nauwkeurig mogelijke reconstructie van gewerkte uren en verkregen verdiensten gemaakt. Kort gezegd komt deze reconstructie erop neer dat appellante tot 1 oktober 1996 slechts incidenteel, te weten 4 uur per week voor een bedrag van f 5,-- per uur, als kinderoppas heeft gewerkt. Met ingang van 1 oktober 1996 is mevrouw Kool weer gedurende twee dagen per week gaan werken en heeft deze werkzaamheden geleidelijk aan uitgebreid tot drie dagen per week (maandag, dinsdag en donderdag) vanaf 1 december 1996. De oppaswerkzaamheden van appellante hielden daarmee gelijke tred, dat wil zeggen: vanaf 1 oktober 1996 2 dagen per week, vanaf 1 november 1996 2,5 dag per week en vanaf 1 december 1996 3 dagen per week. Vanaf 4 maart 1998 ging [naam dochter] op maandag- en woensdagochtend naar de peuterspeelzaal en vanaf 1 februari 1999 ook op de donderdagochtend. Vanaf 4 maart 1998 verrichtte appellante dus nog 2,5 dag per week oppaswerkzaamheden en vanaf 1 februari 1999 nog gedurende twee (een hele en twee halve) dagen per week. Per 25 maart 1999 heeft appellante haar kinderoppaswerkzaamheden beëindigd.

Bij deze reconstructie heeft appellante een verklaring van de peuterspeelzaal 't Hobbelpaard van 10 januari 2000 overgelegd alsmede een schrijven van het Psychiatrisch Ziekenhuis Amsterdam (de toenmalige werkgever van mevr. [naam mevrouw]) van 2 juni 1997, waaruit onder meer kan worden afgeleid dat zij wegens zwangerschaps-, bevallings- en ziekteverlof tot 1 januari 1997 niet volgens de gehele omvang van haar aanstelling werkzaam is geweest.

Naar het oordeel van de Raad heeft appellante aldus op toereikende wijze aannemelijk gemaakt dat zij gedurende de gehele in geding zijnde periode op niet meer dan drie dagen per week als kinderoppas heeft gefungeerd. Dat appellante en de familie [naam familie] ten aanzien van de aanvang van de werkzaamheden (aanvankelijk) anders respectievelijk minder genuanceerd hebben verklaard, acht de Raad anders dan gedaagde in dit verband niet van doorslaggevende betekenis. Daarbij komt dat tijdens de - korte - observatieperiode ook nimmer is waargenomen dat appellante zich op meer dan drie dagen per week respectievelijk op andere dagen dan de maandag, dinsdag of donderdag naar het woonadres van de familie [naam familie 2] begaf. Voorts acht de Raad voldoende aannemelijk gemaakt dat deze werkzaamheden in de loop der tijd zijn afgebouwd al naargelang het bezoek aan de peuterzaal toenam. Daarentegen acht de Raad onvoldoende aannemelijk gemaakt dat appellante vóór 1 december 1996 slechts op incidentele basis als kinderoppas heeft gewerkt. De enkele verklaring dat mevrouw [naam mevrouw] in die periode wegens verlof en arbeidsongeschiktheid niet respectievelijk minder dan overeenkomstig haar aanstelling zou hebben gewerkt is in dat verband niet afdoende.
Overigens is niet gesteld noch gebleken dat appellante gedurende de in geding zijnde periode ook elders nog (kinderoppas) werkzaamheden zou hebben verricht zonder deze aan gedaagde op te geven.

Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat gedaagde niet in staat was om met in achtneming van de boven weergegeven reconstructie het recht op bijstand van appellante over de in geding zijnde periode vast te stellen. De Raad merkt daarbij nog op dat hem de door appellante gestelde vergoeding van f 5,-- per uur netto, mede gelet op de aard van de werkzaamheden, ten tijde in geding niet als bepaald ongebruikelijk of onredelijk laag voorkomt.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat gedaagde ten onrechte tot - volledige - intrekking van het recht op bijstand over de in geding zijnde periode is overgegaan. Daarmee is tevens de grond aan het terugvorderingsbesluit komen te ontvallen.

Het voorgaande betekent dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het door haar reeds (wegens onjuiste wettelijke grondslag) vernietigde besluit van 14 april 2000 ten onrechte in stand heeft gelaten. Daarom zal de Raad de aangevallen uitspraak (behoudens de bepaling omtrent griffierecht) vernietigen, het beroep gegrond verklaren, het besluit van 14 april 2000 vernietigen en bepalen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met in achtneming van hetgeen de Raad terzake heeft overwogen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak behoudens het bepaalde omtrent griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 14 april 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x