Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO4929
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van een maatregel wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Vervolgens oplegging van een maatregel van 20% gedurende twee maanden omdat betrokkene een ongemotiveerde houding had tijdens een sollicitatiegesprek.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/389 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maassluis, gedaagde,




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 januari 2001, reg.nr. 98/1099-GSS, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 4 april 2001 en 11 mei 2001 heeft appellante nadere stukken ingezonden.

Bij brieven van 21 mei 2001 en 12 juli 2001 hebben respectievelijk appellante en gedaagde zich nader over de zaak uitgelaten.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2003, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Jonge, en gedaagde werd vertegenwoordigd door M.M.S. van Sprundel en mr. A.M. van Marrewijk, werkzaam bij de gemeente Maassluis.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 8 november 1987 een bijstandsuitkering laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

In de voor dit geding van belang zijnde periode rustten op appellante de in artikel 113, eerste lid, van de Abw neergelegde arbeidsverplichtingen.
Bij besluit van 10 maart 1997 is de uitkering van appellante bij wijze van maatregel verlaagd wegens onvoldoende sollicitatieactiviteiten. Deze maatregel is, na in bezwaar wat betreft de duur ervan te zijn gewijzigd, in rechte onaantastbaar geworden.

Op 3 oktober 1997 is appellante vanwege het Centrum voor Werk en Scholing van de Afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de gemeente Maassluis (CWS) geattendeerd op de vacature van servicemedewerkster bij verpleeghuis DrieMaasHave, ressorterend onder de Stichting Verpleeghuizen Nieuwe Waterweg-Noord (hierna: de stichting). Naar aanleiding van het sollicitatiegesprek dat appellante op 20 oktober 1997 bij DrieMaasHave heeft gevoerd, is vanwege de stichting aan het CWS bericht dat appellante voor deze functie is afgewezen omdat zij tijdens het gesprek ongemotiveerd overkwam.

Bij besluit van 24 november 1997 heeft gedaagde aan appellante de maatregel van een verlaging van de uitkering met 95% gedurende twee maanden opgelegd wegens het door eigen toedoen niet verkrijgen van passende arbeid. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 4 mei 1998 gegrond verklaard in die zin dat het percentage van de verlaging is teruggebracht tot 20. De verlaging is nader gebaseerd op de grond dat appellante door een negatieve gedraging de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd.

Het tegen het besluit van 4 mei 1998 ingestelde beroep is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met betrekking tot de stelling van appellante dat de haar aangeboden functie van servicemedewerkster medisch niet passend was en aanvaarding van die functie derhalve niet van haar mocht worden gevergd, merkt de Raad op dat de passendheid van de betrokken functie in dit geding niet rechtstreeks aan de orde is omdat appellante niet (langer) wordt verweten dat zij passende arbeid heeft geweigerd. Niettemin is voor de beoordeling van de aan appellante verweten gedraging niet geheel zonder betekenis of het hier om een voor appellante geschikte functie ging.
In dat verband blijkt uit de gedingstukken dat de in geding zijnde functie op 3 oktober 1997 door het CWS voor appellante is geselecteerd, dat die functie op die datum met appellante is besproken en dat aan appellante toen een kopie van de functiebeschrijving is meegegeven. Voorts staat tussen partijen vast dat appellante op 6 oktober 1997 telefonisch aan het CWS heeft gevraagd haar voor die functie voor te dragen.
Mede gelet op deze gang van zaken, die is voorafgegaan aan het sollicitatiegesprek van 20 oktober 1997, moet het ervoor worden gehouden dat de functie voor appellante geschikt was. Daarbij neemt de Raad nog in aanmerking dat appellante zich eerder heeft laten registreren als werkzoekende in de sector verzorging en dat zij eerder heeft gesolliciteerd op een functie bij de stichting. Verder is van de zijde van gedaagde in dit verband niet ten onrechte opgemerkt dat destijds in het bijstandsdossier van appellante, waaronder een door haarzelf in het kader van een heronderzoek ingevuld formulier, geen gegevens waren te vinden waaruit enige belemmering voor een functie als de onderhavige zou kunnen worden afgeleid.

Appellante heeft betwist dat zij zich in het sollicitatiegesprek ongemotiveerd of anderszins negatief heeft opgesteld. De Raad kent op dit punt evenwel overwegende betekenis toe aan de schriftelijke berichtgeving van de zijde van de stichting aan gedaagde, waaruit blijkt dat appellante uitsluitend omdat zij tijdens het gesprek ongemotiveerd overkwam is afgewezen voor de vervulling van de vacature. Verder is komen vast te staan dat appellante ook daadwerkelijk de kans op het verkrijgen van een baan heeft verspeeld, aangezien er bij DrieMaasHave op dat moment meer vacante functies van servicemedewerkster waren dan voor de vervulling daarvan aangemelde kandidaten.

Gedaagde heeft, gelet op het voorafgaande, terecht de conclusie getrokken dat appellante door haar gedrag de inschakeling in de arbeid heeft belemmerd.

Daaruit vloeit voort dat appellante niet heeft voldaan aan de in artikel 113, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw bedoelde verplichting (nalaten hetgeen inschakeling in de arbeid belemmert). Gedaagde was op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw verplicht daarvoor een maatregel op te leggen.

Het gaat hier om een gedraging van de derde categorie als bedoeld in artikel 3, derde lid, onder a, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Maatregelenbesluit wordt in dat geval de maatregel van verlaging van de uitkering met 20% gedurende een maand opgelegd. In het geval sprake is van recidive wordt de periode waarvoor de maatregel geldt met toepassing van het tweede lid van artikel 5 van het Maatregelenbesluit verdubbeld. De door gedaagde bij de beslissing op bezwaar opgelegde maatregel, waarbij rekening is gehouden met de eerder opgelegde maatregel, is met de hiervoor genoemde bepalingen in overeenstemming.

In de door appellante in hoger beroep overgelegde medische verklaringen ziet de Raad onvoldoende grondslag voor het oordeel dat gedaagde van het opleggen van een maatregel had moeten afzien wegens het geheel ontbreken van verwijtbaarheid (artikel 14, tweede lid, tweede volzin, van de Abw) of dat hij deze had moeten matigen (artikel 14, tweede lid, eerste volzin van de Abw).
Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat de verklaring van de Directrice van het Instituut Psychosofia van 27 maart 2001 geen concrete medische gegevens bevat over de toestand van appellante ten tijde van het bewuste sollicitatiegesprek. Ook aan de verklaring van de huisarts van 26 maart 2001 kan niet de betekenis worden toegekend die appellante daaraan gehecht wil zien. In die verklaring is sprake van gebruik van kalmerende middelen in de periode eind februari/begin maart 1998, niet in oktober 1997. Voorts is met de vermelding door de huisarts van spanningsklachten van appellante als gevolg van opvoedingsproblematiek geen verklaring gegeven voor de vaststelling dat appellante in de periode voorafgaande aan het sollicitatiegesprek niet heeft gemeld dat zij de vacante functie niet aankon wegens eigen gezondheidsklachten dan wel omdat haar moeder in een verpleegtehuis opgenomen was. Integendeel, appellante heeft - na enige bedenktijd te hebben gekregen - juist gevraagd haar voor te dragen voor deze functie. Bovendien is in de toelichting van de huisarts geen verklaring te vinden voor de door appellante tijdens het sollicitatiegesprek ingenomen ongemotiveerde opstelling als zodanig.

De Raad is ten slotte niet gebleken van een dringende reden als bedoeld in artikel 14, derde lid (oud), van de Abw, op grond waarvan aan gedaagde de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een maatregel af te zien.

Uit het voorafgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2004.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x