Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO5342
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 09-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Besluit tot wijziging van de bijstand waarbij de gemeentelijke toeslag wordt vastgesteld op die voor een alleenstaande die niet alleenwonend is, te weten 10% van de echtparennorm, met de mededeling dat de te veel ontvangen bijstand niet zal worden teruggevorderd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/3928 NABW en 01/5295 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, appellant,

en

[appellant], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 1 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Abw 99/1344, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Appellant heeft bij brief van 2 oktober 2001 een nader besluit van 25 september 2001 ingezonden.

De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. E. van Lunteren, werkzaam bij de gemeente Rotterdam, en waar gedaagde niet is verschenen.




II. MOTIVERING


Aan gedaagde is met ingang van 8 januari 1996 op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) een uitkering voor levensonderhoud toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 20% van het netto minimumloon omdat hij de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan niet kan delen met een ander. Gedaagde heeft appellant eind maart 1996 ge´nformeerd dat hij met ingang van 1 mei 1996 zou gaan verhuizen naar de [adres] te [woonplaats], alwaar hij een kamer had gehuurd. Alhoewel de behandelend ambtenaar van de sociale dienst in zijn rapport van 22 april 1996 heeft aangegeven dat dit per 1 mei 1996 moest leiden tot verlaging van de toeslag naar 10%, heeft dit toen niet geleid tot aanpassing van de uitkering. Eerst medio 1998 is dit verzuim ontdekt.

Nadat gedaagde daarvan in kennis was gesteld heeft appellant bij besluit van 22 oktober 1998 de uitkering van gedaagde met ingang van 1 oktober 1998 gewijzigd, in dier voege dat de toeslag werd vastgesteld op die voor een alleenstaande die niet alleenwonend is, te weten 10% van het netto wettelijk minimumloon. Daarbij is aangegeven dat de over de periode van 26 juni 1996 tot en met 30 september 1998 teveel ontvangen uitkering niet zal worden teruggevorderd.

Appellant heeft het bezwaar tegen dit besluit bij de bestreden beslissing op bezwaar van 7 mei 1999 (hierna: besluit 1) ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen besluit 1 in de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit zou nemen op het bezwaar van gedaagde, een en ander onder veroordeling van appellant tot vergoeding van het door gedaagde betaalde griffierrecht. De rechtbank was van oordeel dat de uitkering ten onrechte met terugwerkende kracht tot 1 oktober 1998 was herzien en voorts dat zorgvuldigheidsnormen met zich meebrengen dat aan gedaagde, gezien de omstandigheden, een zekere gewenningsperiode moet worden gegund, welke periode ingaat per datum van het primaire besluit.

Appellant is van deze uitspraak in hoger beroep gekomen voor zover daarin is beslist over de in aanmerking te nemen gewenningsperiode. Appellant stelt zich op het standpunt dat een medewerker van de sociale dienst gedaagde tijdens een op 26 juni 1998 gehouden gesprek ge´nformeerd heeft over de voorgenomen wijziging van zijn uitkering. Uitgaande van dat moment heeft gedaagde ruim drie maanden de tijd gehad om te wennen aan de nieuwe situatie hetwelk volgens appellant uit een oogpunt van zorgvuldigheid voldoende is. Appellant kan zich verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de uitkering niet met terugwerkende kracht mocht worden herzien. Het hoger beroep heeft daarop dan ook geen betrekking.

Appellant heeft, uitvoering gevende aan de aangevallen uitspraak, op 25 september 2001 een nieuw besluit op het bezwaar van gedaagde genomen (hierna: besluit 2). In dat besluit is - kort weergegeven - bepaald:
- primair dat de toeslag op de uitkering van gedaagde met ingang van 1 november 1998 wordt verlaagd naar 10% van het netto wettelijk minimumloon en
- subsidiair dat de verlaging eerst met ingang van 1 januari 1999 ingaat indien de Centrale Raad van Beroep van oordeel zou zijn dat een gewenningsperiode moet worden gegund uitgaande van de datum van het primaire besluit.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad is van oordeel dat het hoger beroep, gezien het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van de Raad wordt vastgesteld dat niet in geschil is dat in een geval als het onderhavige, waarin uitsluitend ten gevolge van een niet aan gedaagde toe te rekenen fout van appellant teveel uitkering in de vorm van een toelage als de onderhavige is betaald, in de gemeente Rotterdam de gedragslijn wordt gevolgd dat bij het corrigeren van die fout op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel een zekere gewenningstermijn wordt gegund. Het geschil betreft slechts het moment waarop die gewenningsperiode moet gaan lopen. Voorts wordt vastgesteld dat een medewerker van de sociale dienst gedaagde op 26 juni 1998 mondeling heeft ge´nformeerd over het voornemen om de toeslag op de uitkering te verlagen. Door gedaagde is dat niet weersproken.

Hiervan uitgaande is de Raad van oordeel dat gedaagde, aan wie een gewenningsperiode van 26 juni 1998 tot en met 31 oktober 1998 is gegund, daarmee in het licht van het zorgvuldigheidsbeginsel niet te kort is gedaan.

Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, met verbetering van gronden dient te worden bevestigd. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat besluit 1 door de rechtbank terecht is vernietigd wegens de daarin besloten liggende terugwerkende kracht. Uit het voorafgaande volgt tevens dat het beroep voor zover het geacht moet worden mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond moet worden verklaard.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
Verklaart het beroep voor zover het geacht wordt mede te zijn gericht tegen besluit 2 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. R.M. van Male in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2004.
            
(get.) R.M. van Male.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

ę Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x