Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO5440
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen (over)vermogen op een verzwegen bankrekening. Onderzoek naar ontvangen inkomsten uit rente.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/262 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. M.H. Samama, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Gravenhage op 18 december 2001, tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/00719 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar voor appellant is verschenen mr. Samama, terwijl gedaagde - zoals aangekondigd - zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant ontving sedert 1 juni 1990 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), welke uitkering met ingang van 1 november 1996 is omgezet naar een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

In 1999 hebben medewerkers van de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente 's-Gravenhage een onderzoek ingesteld naar door appellant ontvangen inkomsten uit rente, waaruit naar voren is gekomen dat appellant een bankrekening op zijn naam had staan die bij gedaagde niet bekend was. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in rapporten van 28 juli 1999 en 16 december 1999.

Gedaagde heeft naar aanleiding van deze bevindingen bij besluit van 16 december 1999 het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1999 herzien (lees: ingetrokken) en de gemaakte kosten van bijstand over die periode teruggevorderd tot een bedrag van f 138.255,--.

Het tegen het besluit van 16 december 1999 gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 19 januari 2001 ongegrond verklaard met dien verstande dat de intrekking is beperkt tot de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1999.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 19 januari 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



a. De periode van 1 januari 1995 tot en met 31 december 1995

De terugvordering van de kosten van bijstand over deze periode is gebaseerd op artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW.

Vaststaat dat appellant in de jaren 1994 tot en met 1999 een bankrekening op zijn naam had staan, die hij niet aan gedaagde had opgegeven. Aldus heeft hij de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW geschonden.

Uit de zich in het dossier bevindende bankafschriften valt voorts op te maken dat het tegoed in het hier aan de orde zijnde tijdvak steeds meer heeft bedragen dan het op grond van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW in verbinding met artikel 8 van het Bijstandsbesluit landelijke normering vrij te laten bescheiden vermogen.

Van relevante schulden is niet gebleken.

Appellant ontkent dat het tegoed op de betreffende bankrekening van hem was.

In zijn jurisprudentie heeft de Raad als uitgangspunt geformuleerd dat het feit dat een bankrekening op naam van een uitkeringsgerechtigde een tegoed bevat de veronderstelling rechtvaardigt dat dit tegoed een bestanddeel vormt van het vermogen waarover deze de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de belanghebbende om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is (zie onder meer de uitspraak van 6 april 1999, gepubliceerd in RSV 1999/168).

Appellant is daarin niet geslaagd. De verklaringen van de kinderen van appellant dat het tegoed van de bankrekening als spaartegoed aan hen toebehoort, is niet nader onderbouwd met stukken. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant feitelijk over het banktegoed heeft beschikt.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW. Nu niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW, was gedaagde gehouden om tot terugvordering van de over dit tijdvak gemaakte kosten van bijstand over te gaan.



b. De periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1997

In het voorgaande ligt besloten dat appellant achteraf bezien geen persoon was als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet. Evenals de rechtbank heeft geoordeeld zijn derhalve de bij of krachtens de Abw totstandgekomen regels zoals die in het hier aan de orde zijnde tijdvak golden het beoordelingskader voor de vraag of het op artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw gebaseerde besluit tot terugvordering over dit tijdvak in rechte stand kan houden.

Uit de betreffende bankafschriften blijkt dat ook in dit tijdvak het in aanmerking te nemen vermogen steeds meer heeft bedragen dan het van toepassing zijnde vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 54 van de Abw. Onder verwijzing naar de hiervoor gegeven overwegingen komt de Raad tot de conclusie dat appellant zijn verplichting bedoeld in artikel 65, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw niet is nagekomen en dat voldaan is aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw. Nu niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw was gedaagde gehouden om de over dit tijdvak gemaakte kosten van bijstand terug te vorderen.



c. De periode van 1 juli 1997 tot en met 30 juni 1999

De intrekking van het recht op bijstand

Aan de op artikel 69, aanhef en onder a, van de Abw gebaseerde intrekking van het recht op bijstand ligt ten grondslag dat door de schending van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de hier aan de orde zijnde periode niet is vast te stellen.

De Raad stelt aan de hand van de in het dossier bevindende bankafschriften en het rapport van de afdeling Bijzonder Onderzoek van 16 december 1999 vast dat het in aanmerking te nemen vermogen van appellant in de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 mei 1999 meer bedroeg dan de in die periode ten aanzien van appellant geldende vermogensgrens. De stelling van gedaagde dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, is derhalve wat deze periode betreft onjuist. Op 27 mei 1999 heeft appellant van zijn bankrekening een bedrag van f 32.750,-- opgenomen met als gevolg dat na deze datum op deze rekening geen vermogen meer stond dat hoger was dan het vrij te laten vermogen. Nu appellant aan gedaagde geen verifieerbare informatie heeft verstrekt omtrent de besteding van de uit deze kasopname vrijgekomen gelden, is de grondslag dat door de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet is vast te stellen met betrekking tot de periode van 28 mei 1999 tot en met 30 juni 1999 wel juist.

In het vorenstaande ligt besloten dat het besluit van 19 januari 2001, voorzover daarbij de intrekking over de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 mei 1999 is gehandhaafd, niet op een deugdelijke motivering berust en in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking komt.

De Raad ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van dit te vernietigen gedeelte van het besluit van 19 januari 2001 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw.

De terugvordering van de kosten van bijstand

Met inachtneming van het vorenstaande komt de Raad tot de conclusie dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid (tekst vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat moet worden beslist zoals hierna is aangegeven.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant, begroot op 644,--, voor verleende rechtsbijstand in beroep, en op 644,--, voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 19 januari 2001, voorzover dat betrekking heeft op de intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 27 mei 1999;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 19 januari 2001 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 1288,--, te betalen door de gemeente 's-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x