Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO5504
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 02-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van een opleiding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2921 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Winterswijk, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zutphen op 16 juni 2003 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/1460 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Bij brief van 16 januari 2004 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep nader toegelicht.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 16 augustus 2001 heeft gedaagde appellants aanvraag om bijzondere bijstand ter aflossing van een schuld aan Scheidegger Opleidingen B.V. te Venlo ten bedrage van f 6.403,40 afgewezen.

Bij besluit van 15 november 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 16 augustus 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard, waarmee appellant zich niet kan verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

Vaststaat dat appellant ten tijde van het ontstaan van de schuld bij Scheidegger een bijstandsuitkering ontving. Hij beschikte aldus over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) wordt degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet geacht te verkeren in bijstandsbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van die wet. Eerstgenoemde bepaling staat aan bijstandsverlening aan appellant voor de desbetreffende schuld in de weg.

In artikel 15, tweede lid, aanhef en onder b, van de Abw is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van het eerste lid bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan.

De Raad onderschrijft de gronden waarop de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat hetgeen door appellant is aangevoerd niet kan worden beschouwd als zeer dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Abw, bijzondere bijstand ter betaling van zijn schuld toe te kennen. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

De rechtbank heeft het beroep derhalve terecht gegrond verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x