Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO6347
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is terecht met toepassing van artikel 4:6 van de Awb geweigerd om terug te komen van het besluit tot weigering om alsnog een gemeentelijke toeslag van 20% in plaats van 15% toe te kennen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/2326 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], thans wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Dordrecht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op de bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 9 maart 2001, reg.nr. AWB 99/1045, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding met het reg.nr. 02/3201 NABW, behandeld ter zitting van 28 januari 2004, waar appellant in persoon is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Kleijn, werkzaam bij de gemeente Dordrecht.

Na de sluiting van het onderzoek heeft de Raad de gevoegde gedingen gesplitst.




II. MOTIVERING


Bij besluit van 3 juni 1996 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 1 mei 1996 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 15% van het minimumloon wegens het gedeeltelijk kunnen delen van de noodzakelijke bestaanskosten met een ander. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

Bij schriftelijk verzoek van 19 januari 1999 heeft appellant gedaagde verzocht aan hem over de periode van 1 mei 1996 tot en met 8 juli 1998 alsnog een gemeentelijke toeslag van 20% in plaats van 15% toe te kennen.

Bij primair besluit van 4 maart 1999, in bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit van 14 oktober 1999, heeft gedaagde met toepassing van artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geweigerd terug te komen van het besluit van 3 juni 1996.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt, overeenkomstig zijn inmiddels vaste rechtspraak terzake, het volgende.

Op grond van artikel 4:6 van de Awb mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een eerder genomen besluit terug te komen, worden verlangd dat bij dit verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere besluit.

Bij het verzoek van 19 januari 1999 heeft appellant aangevoerd dat aan hem - aansluitend op de bijstandsverlening door gedaagde - met ingang van 9 juli 1998 in de gemeente Baarle-Nassau een bijstandsuitkering is toegekend naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 20% van het minimumloon wegens het niet gedeeltelijk kunnen delen van de noodzakelijke bestaanskosten met een ander. Appellant heeft daarbij gesteld dat hij reeds op 1 mei 1996 niet bij zijn moeder in Dordrecht woonde, maar in de gemeente Baarle-Nassau, waar hij een eigen huishouding voerde. Hierdoor heeft hij ook in de periode van 1 mei 1996 tot en met 8 juli 1998 de noodzakelijke bestaanskosten niet gedeeltelijk kunnen delen met een ander, zodat de door gedaagde aan hem over die periode toegekende gemeentelijke toeslag 5% hoger had moeten zijn.

De Raad stelt vast dat het hierbij niet gaat om nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, maar - hooguit - om een argument dat in het kader van een bezwaarschriftprocedure tegen het besluit van 3 juni 1996 naar voren had kunnen gebracht.

Gedaagde was dan ook bevoegd om op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het besluit van 3 juni 1996, zoals gedaagde ook heeft gedaan. Naar het oordeel van de Raad kan niet worden gezegd dat gedaagde niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen aanspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 maart 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x