Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO6372
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand op de grond dat geen recht op bijstand bestond in verband met inkomsten uit arbeid en in verband met (over)vermogen waarover kon worden beschikt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/3306 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hardenberg, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gevolg van een gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Avereest. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Avereerst.

Namens appellant heeft mr. J.P. van Dijk, advocaat te Dedemsvaart, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 21 mei 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/8671 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Desgevraagd heeft gedaagde nog nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 maart 2004, waar appellant - met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door H.J.Meijer, werkzaam bij de gemeente Hardenberg.




II. MOTIVERING


Appellant en zijn echtgenote, [naam echtgenote], ontvingen een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, welke uitkering met ingang van 1 maart 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant was vanaf 28 december 1996 werkzaam in een zogeheten Melkertbaan voor 30 uur per week. De hiermee verworven inkomsten werden op de bijstandsuitkering in mindering gebracht.
Naar aanleiding van een tip dat de echtgenote van appellant werkzaamheden als oppas zou verrichten, heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de verstrekte bijstandsuitkering.
De bevindingen van dit onderzoek leidden tot de conclusie dat [naam echtgenote] vanaf 1 oktober 1996 gedurende 9 uur per week werkzaamheden heeft verricht die zij niet aan gedaagde heeft gemeld. Deze werkzaamheden bestonden uit de zorg voor twee kinderen van de familie [naam familie]. Zij bracht en haalde de kinderen naar en van school, zorgde voor het eten tussen de middag, verrichtte daarnaast huishoudelijke werkzaamheden en had ook de zorg voor de honden van de familie. [naam echtgenote] ontving naar haar zeggen voor deze activiteiten geen vergoeding. Op basis van informatie van het Nibud is gedaagde er vanuit gegaan dat zij een vergoeding van f 7,-- f 8,-- per uur had kunnen ontvangen.Voorts is uit het onderzoek naar voren gekomen dat de moeder van appellant in februari 1998 is overleden en dat hij in verband hiermee een bedrag van f 70.000,-- als aandeel in de erfenis heeft ontvangen op 27 januari 2000. Van deze feiten is evenmin melding gemaakt.

Gedaagde heeft bij besluit van 28 april 2000 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw het recht op uitkering over de periode van 1 oktober 1996 tot 1 februari 2000 herzien (lees: ingetrokken) op de grond dat vanaf 1 oktober 1996 geen recht op bijstand bestaat in verband met inkomsten uit arbeid en in verband met vermogen waarover vanaf 1 maart 1998 kon worden beschikt.
Bij besluit van 4 mei 2000 heeft gedaagde met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de over het tijdvak van 1 oktober 1996 tot 1 februari 2000 gemaakte kosten van bijstand, een bedrag van f 25.982,42, teruggevorderd.

De tegen beide besluiten gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 18 augustus 2000 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 augustus 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Allereerst stelt de Raad vast dat namens gedaagde ter zitting is verklaard dat, voorzover het besluit van 18 augustus 2000 is gebaseerd op de grond dat appellant vanaf 1 maart 1998 beschikte dan wel redelijkerwijs kon beschikken over vermogen dat uitgaat boven het vrij te laten vermogen, dit besluit op dit onderdeel niet langer wordt gehandhaafd aangezien de moeder van appellant weliswaar in februari 1998 is overleden maar appellant eerst eind januari 2000 daadwerkelijk de beschikking kreeg over zijn aandeel in de erfenis.

Het besluit tot intrekking van de verleende bijstand is gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, zoals deze bepaling luidt vanaf 1 juli 1997. Dit is niet juist voorzover de intrekking ziet op de periode vr 1 juli 1997. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 31 augustus 1999, gepubliceerd in onder meer RSV 1999/256.

Aan dat besluit is het standpunt ten grondslag gelegd dat de inkomsten uit de Melkertbaan van appellant vermeerderd met de inkomsten die appellants echtgenote vanaf 1 oktober 1996 tot 1 februari 2000 had kunnen ontvangen gedurende de gehele genoemde periode tezamen genomen hoger zijn dan de in dat tijdvak geldende bijstandsnorm voor gehuwden.

Gedaagde heeft de (fictieve) inkomsten van [naam echtgenote] over 1996 vastgesteld op f 273,-- per maand, over 1997 en 1998 op f 292,50 per maand en over 1999 en 2000 op f 321,--per maand.
Bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten uit arbeid dient in het kader van de Abw in beginsel te worden uitgegaan van de inkomsten die uit de verrichte werkzaamheden daadwerkelijk zijn verworven dan wel hadden kunnen worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van fictieve inkomsten is onder meer ruimte indien tegenover het verrichten van productieve arbeid geen beloning staat. De Raad is van oordeel dat gelet op de aard en omvang van de door [naam echtgenote] verrichte werkzaamheden gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zij voor die werkzaamheden een beloning had kunnen bedingen. Voorts zijn deze fictieve inkomsten niet te laag vastgesteld.

De Raad kan evenwel op basis van de thans voorhanden zijnde gedingstukken niet concluderen dat de inkomsten van appellant en [naam echtgenote] tezamen genomen gedurende het gehele hier in geding zijnde tijdvak zodanig waren dat over deze periode geen recht meer op bijstand bestaat. De Raad verwijst in dit verband naar het door K.J. Hengelveld op 5 april 2000 opgemaakt stuk met de aanduiding 'Fraudeberekening', waarin voor de onderscheiden jaren het bedrag van de terugvordering is berekend. Voor het jaar 1997 wordt in dit stuk uitgegaan van een (netto) terugvordering van f 7.952,50. De fictieve inkomsten van [naam echtgenote] bedroegen over dat jaar evenwel (netto) f 3.510,--, terwijl bij de toekenning van de uitkering reeds rekening was gehouden met de inkomsten uit de Melkertbaan van appellant. Voorts staat vast dat appellant eerst per 28 december 1996 inkomsten had. Evengenoemd stuk en de daaraan ten grondslag gelegde nadere berekening lijkt ervan uit te gaan dat van die inkomsten ook al per 1 oktober 1996 sprake was, terwijl ten aanzien van [naam echtgenote] met betrekking tot het jaar 1996 alleen gesproken wordt over inkomsten over de maanden oktober en november.
Het besluit van 18 augustus 2000 is in zoverre dan ook in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad ziet op grond van het vorenstaande aanleiding het besluit van 18 augustus 2000, voorzover betrekking hebbend op de intrekking, te vernietigen.

Voorzover het besluit van 18 augustus 2000 betrekking heeft op de terugvordering van algemene bijstand is hieraan, gelet op het vorenstaande, de grondslag komen te ontvallen.
Uit de aan het terugvorderingsbesluit ten grondslag liggende stukken leidt de Raad af dat niet alleen algemene bijstand is teruggevorderd, maar dat de terugvordering tevens betrekking heeft op de in de jaren 1997 tot en met 1999 verleende bijzondere bijstand. Van een specifiek hierop gericht intrekkingsbesluit, vereist vanaf 1 juli 1997, is de Raad niet gebleken. Aan de voorwaarden voor terugvordering van deze bijstand, zoals die gelden vanaf 1 juli 1997, is dan ook niet voldaan. De Raad ziet aanleiding het besluit van 18 augustus 2000, voorzover betrekking hebbend op de terugvordering, eveneens te vernietigen.

Gedaagde zal, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, op het bezwaar van appellant een nieuw besluit dienen te nemen.

De Raad ziet ten slotte aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor in beroep verleende rechtsbijstand en op 322,-- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 augustus 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van 966,--, te betalen door de gemeente Hardenberg;
Bepaalt dat de gemeente Hardenberg aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x