Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO6392
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijzondere bijstand voor de kosten van Viagra-tabletten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/1140 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 8 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/2895 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 2 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. J.C. Walker, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op 26 februari 1999 gedaagde om bijzondere bijstand verzocht voor de kosten van Viagra tabletten, door zijn huisarts voorgeschreven ter bestrijding van een erectiestoornis. Bij besluit van 17 maart 1999 is deze aanvraag afgewezen. Gedaagde heeft het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard bij besluit van 10 september 1999. Bij uitspraak van 19 februari 2001, reg.nr. 99/10216 NABW, heeft de rechtbank het tegen het besluit van 10 september 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Gedaagde heeft nadere informatie gevraagd en verkregen van het College voor zorgverzekeringen. Deze informatie is als volgt samengevat:
"Viagra werd in november 1998 als medicijn geregistreerd. De Commissie Farmaceutische Hulp adviseerde de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport op 23 maart 2000 om sildenafil (Viagra) op te nemen in de Regeling farmaceutische hulp 1996 en de vergoeding te koppelen aan nadere voorwaarden (plaatsing op bijlage 2). Als nadere voorwaarde om voor vergoeding in aanmerking te komen werd genoemd erectiŽle disfunctie die wordt veroorzaakt door diabetes mellitus of ruggenmergbeschadiging. De minister heeft besloten om Viagra niet op te nemen in het pakket ook niet voor de bovengenoemde categorieŽn patiŽnten, aangezien het een groot beslag op de voor de zorg beschikbare financiŽle middelen zou leggen. Aangezien de meerwaarde van Viagra niet het gevolg is van een verhoogd effectiviteit maar van toegenomen gebruiksgemak, was, mede gezien de ernst van de betreffende aandoening en de beschikbaarheid van een vergoed alternatief de minister van mening dat deze meerwaarde het hoge kostenbeslag niet rechtvaardigt. Sinds 1991 wordt Androskat, dat per injectie wordt toegediend, zonder enige beperking volledig vergoed."
Hierna is advies ingewonnen van de Gemeentelijke Geneeskundige Gezondheidsdienst Amsterdam en is appellant gehoord. Bij besluit van 7 augustus 2001 heeft gedaagde het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard op grond van (onder meer) artikel 17 van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 7 augustus 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank staat artikel 17, eerste lid, van de Abw aan de gevraagde bijzondere bijstand in de weg, omdat er een middel beschikbaar is, te weten Androskat, dat door het ziekenfonds wordt vergoed.

Door en namens appellant is dit oordeel gemotiveerd bestreden. Daarbij is aangegeven dat Androskat voor appellant geen geschikt middel is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen dienen voor kosten van geneesmiddelen de Ziekenfondswet (Zfw) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) in beginsel als aan de Abw voorliggende, toereikende en passende voorzieningen te worden beschouwd. In gevallen dat voorgeschreven geneesmiddelen niet tot de geneesmiddelen behoren die op grond van het bij of krachtens de Zfw en de AWBZ bepaalde voor vergoeding in aanmerking komen staat het bepaalde in artikel 17, tweede lid, van de Abw in beginsel aan bijstandsverlening in de weg. Verwezen wordt in dit verband onder meer naar de uitspraken van de Raad van 3 juli 2001, gepubliceerd in RSV 2001/208 en USZ 2001/209, en van 14 mei 2002, gepubliceerd in RSV 2002/199 en USZ 2002/183, waarin afwijzende besluiten op aanvragen om bijzondere bijstand voor de kosten van onder andere plantaardige geneesmiddelen respectievelijk medicinale marihuana aan de orde waren. Die bepaling staat naar het oordeel van de Raad ook in dit geval in beginsel aan bijstandsverlening in de weg, waar het gaat om de kosten van Viagra-tabletten.

Artikel 17, derde lid, van de Abw biedt de mogelijkheid om, in afwijking van de voorgaande leden, in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij te worden gedacht aan noodsituaties. De gedingstukken bieden geen enkel aanknopingspunt om te oordelen dat in het geval van appellant van een noodsituatie in de zin van artikel 17, derde lid, van de Abw sprake was. Hieruit volgt dat aan gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om bijzondere bijstand te verlenen voor de hier besproken kosten.

In hetgeen van de zijde van appellant is aangevoerd ziet de Raad geen grond om tot een ander oordeel te komen.

De aangevallen uitspraak komt met verbetering van gronden voor bevestiging in aanmerking.

De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x