Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7265
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-01-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Herziening en terugvordering van te veel betaalde bijstand. De gemeente heeft er bewust voor gekozen om de door betrokkene opgegeven inkomsten uit arbeid te korten in de maand waarin deze zijn ontvangen en zonder deze om te rekenen naar maandbedragen, en achteraf het te veel betaalde terug te vorderen. Er is geen reden om af te zien van terugvordering.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/5105 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.Th.A.M. Mes, advocaat te Hoorn, op de in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 6 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 00/1088, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 december 2003, waar appellante niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.A.A. van Wakeren, werkzaam bij de gemeente Hoorn.




II. MOTIVERING


Appellante ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Zij ontving voorts inkomsten uit arbeid, die per vier weken achteraf betaalbaar worden gesteld.

Bij besluit van 4 april 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellante over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 1999 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw herzien en de aan appellante over die periode teveel verstrekte bijstand met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw tot een bedrag van f 1.185,06 van haar teruggevorderd. Dit vond zijn oorzaak in het feit dat gedaagde er bewust voor heeft gekozen om de door appellante opgegeven inkomsten uit arbeid te korten in de maand waarin deze zijn ontvangen en zonder deze om te rekenen naar maandbedragen, en achteraf het teveel betaalde terug te vorderen.

Bij besluit van 20 juni 2000 heeft gedaagde, voorzover hier van belang, het tegen het besluit van 4 april 2000 gemaakte bezwaar, ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 juni 2000 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Voor de gronden van het hoger beroep heeft zij verwezen naar hetgeen in het kader van het beroep bij de rechtbank is aangevoerd. In het onderhavige geval kon appellante, anders dan door gedaagde ter zitting bepleit, daarmee volstaan.

De Raad verwijst voor zijn beoordeling van het onderhavige geschil allereerst naar zijn uitspraken van 25 februari 2003 met de registratienummers 00/2938 NABW, 00/3069 NABW, 00/3073 NABW en 02/5140 NABW. Die uitspraken betroffen gelijksoortige kwesties waarin enerzijds ook gedaagde partij was en anderzijds ook de gemachtigde van appellante optrad als vertegenwoordiger van de betrokken belanghebbenden.

Met betrekking tot de partijen in dit geding verdeeld houdende vragen, of gedaagde terecht met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw het besluit tot toekenning van bijstand aan appellante over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 1999 heeft herzien en terecht met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw de haar teveel verleende bijstand heeft teruggevorderd, volstaat de Raad met de volgende overwegingen.

Vaststaat dat de omvang van het recht op uitkering van appellante achteraf bezien geringer was dan waarvan bij het toekenningsbesluit is uitgegaan. Voorts staat op grond van de stukken voor de Raad genoegzaam vast dat appellante over de in geding zijnde periode f 1.185,06 teveel aan bijstand is verleend. Vaststaat evenzeer dat dit niet is geschied ten gevolge van een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw of het niet (behoorlijk) nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting, zodat artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw van toepassing is.

De Raad ziet in het geval van appellante geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was om van herziening af te zien. Het herzieningsbesluit kan derhalve standhouden.

Uit het voorgaande volgt dat over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 1999 tevens aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw is voldaan. De Raad merkt in dit verband nog op dat de vraag of het appellante redelijkerwijs duidelijk is geweest dat er maandelijks een te gering bedrag aan inkomsten werd gekort (en dus onverschuldigd werd betaald) in dit kader, anders dan bij artikel 81, tweede lid, van de Abw geen betekenis toekomt. Uit de tekst en de strekking van artikel 81, eerste lid, van de Abw blijkt duidelijk dat voor een nadere nuancering als bedoeld in artikel 81, tweede lid, van de Abw bij de toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw geen plaats is.

Appellante heeft nog aangevoerd dat zij erop mocht vertrouwen dat over de periode van 1 januari 1999 tot 1 december 1999 geen terugvordering zou plaatsvinden omdat haar na afronding van de in 1999 verrichte heronderzoeken niet is meegedeeld dat de uitkering over 1999 niet correct was verstrekt. De Raad volgt appellante hierin niet omdat hem niet is gebleken dat aan appellante door of namens gedaagde terzake van de terugvordering van de verstrekte uitkering een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging is gedaan.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad ten slotte niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Ook het terugvorderingsbesluit kan derhalve standhouden.

Uit al hetgeen hiervoor is overwogen, vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak, dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2004.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x