Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7347
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Gezamenlijke huishouding. Het beschikken over inkomsten en over een vermogen dat boven de grens ligt van het vrij te laten vermogen. Schending van de inlichtingenverplichting en terugvordering van de bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/2925 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. M.H.J. van Geffen, advocaat te Amsterdam, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 13 maart 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 99/8343 en 99/8344 NABW waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Geffen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant heeft van 23 juli 1986 tot 1 september 1998 een bijstandsuitkering ontvangen naar de norm voor een alleenstaande, vanaf 1 september 1996 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Appellant is op 13 februari 1998 gehuwd met [naam partner] (hierna: [naam partner]). Aan [naam partner] is van 19 mei 1983 tot 1 april 1998 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande verleend, welke per 1 mei 1996 is omgezet in een uitkering ingevolge de Abw. [naam partner] is op 8 maart 1998 overleden. Appellant is enig erfgenaam.

Naar aanleiding van een anonieme tip heeft de afdeling Sociale Recherche van de sociale dienst Amsterdam vanaf 23 oktober 1997 tot 21 december 1998 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkeringen van appellant en [naam partner]. In het kader van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport met bijlagen van 4 januari 1999, heeft de Sociale Recherche dossieronderzoek verricht, bij diverse instanties informatie ingewonnen, observaties verricht en getuigen gehoord. Appellant heeft tegenover de Sociale Recherche verklaringen afgelegd, welke door hem zijn ondertekend.

Op grond van de resultaten van dit onderzoek heeft gedaagde bij een tot appellant gericht besluit van 23 december 1998 de uitkering van [naam partner] over de periode van 23 juli 1986 tot en met 31 maart 1998 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de over deze periode verleende bijstand tot een bedrag van f 230.434,88 van appellant teruggevorderd.
Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde het recht op uitkering van appellant over de periode van 23 juli 1986 tot en met 31 augustus 1998 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de over deze periode verleende bijstand tot een bedrag van f 240.196,76 van hem teruggevorderd.

Namens appellant is tegen beide besluiten van 23 december 1998 bezwaar gemaakt. Gedaagde heeft deze bezwaren bij afzonderlijke besluiten van 9 juli 1999 in zoverre gegrond verklaard, dat de periode waarover het recht op uitkering wordt ingetrokken en de kosten van bijstand worden teruggevorderd aanvangt op 23 december 1993. In verband hiermede zijn de terug te vorderen bedragen nader vastgesteld op f 95.658,03 en f 103.911,60. Aan deze besluiten ligt het standpunt ten grondslag dat [appellant] en [naam partner] een gezamenlijke huishouding voerden, dat zij beschikten over inkomsten en over een vermogen dat boven de grens ligt van het vrij te laten vermogen, en dat zij de wettelijke inlichtingenverplichting hebben geschonden door van een en ander geen mededeling te doen.

De rechtbank heeft - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - de namens appellant tegen de besluiten van 9 juli 1999 ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van deze besluiten in stand blijven, en de gevorderde schadevergoeding afgewezen. Zij was van oordeel dat de gestelde gezamenlijke huishouding van appellant en [naam partner] niet aannemelijk is geworden en dat de besluiten van 9 juli 1999 ten onrechte zijn gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw. De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van deze besluiten echter in stand gelaten, omdat naar haar oordeel zowel [naam partner] als appellant inkomsten hebben verzwegen en zij voorts over een vermogen beschikten dat ver boven het vrij te laten vermogen ligt.

In hoger beroep heeft appellant de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van de besluiten van 9 juli 1999 in stand zijn gelaten en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

De Raad overweegt het volgende.



Ten aanzien van [naam partner]

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het op [naam partner] betrekking hebbende besluit van 9 juli 1999 in stand gelaten omdat zij van oordeel was dat de intrekking en terugvordering inhoudelijk juist zijn. In dit verband heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [naam partner] inkomsten heeft verworven uit haar werkzaamheden als alfahulp en uit de exploitatie van het schip de Tramp en dat zij tevens over een vermogen beschikte boven de voor haar geldende vermogensgrens.

Hoewel de Raad het aannemelijk acht dat het door [naam partner] op 20 juli 1984 voor een bedrag van f 12.000,-- als woonschip aangeschafte schip UK 134 op 23 december 1993 al aanzienlijk in waarde was gestegen, bieden de over de waarde van dat schip beschikbare gegevens naar het oordeel van de Raad onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat zij gedurende de periode van 23 december 1993 tot aan haar huwelijk met appellant op 13 februari 1998 steeds heeft beschikt over een in aanmerking te nemen vermogen boven de vermogensgrens, dat aan bijstandsverlening in de weg stond. Daarbij heeft de Raad tevens in aanmerking genomen dat het hier gaat om een door [naam partner] destijds zelf bewoonde boot, zodat in geval van een waardestijging boven de voor een eigen woning geldende vermogensgrens de bijstandsverlening eventueel in de vorm van een geldlening onder verband van krediethypotheek had kunnen worden voortgezet. De voorhanden zijnde gegevens bieden evenmin grond voor het oordeel dat [naam partner] in (een deel van) de in het geding zijnde periode inkomsten heeft ontvangen welke op maandbasis hoger waren dan het voor haar geldende normbedrag.

De Raad is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het op het recht op bijstand van [naam partner] betrekking hebbende besluit van 9 juli 1999 op een andere grond in stand dienen te worden gelaten. Daartoe overweegt hij het volgende.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat [naam partner] in meer dan een opzicht de op haar rustende wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden. Op grond van de onderzoeksbevindingen staat voor de Raad voldoende vast dat [naam partner] van 1993 tot eind 1996 als alfahulp heeft gewerkt, en vanaf 1 november 1996 het door haar en appellant aangeschafte schip de Tramp als botel heeft geŽxploiteerd. Van deze werkzaamheden en de daaruit verworven inkomsten heeft zij geen melding gemaakt aan gedaagde. Verder heeft [naam partner] niet gemeld dat zij en appellant in oktober 1996 de Tramp hebben aangeschaft. De toezending aan gedaagde van een kopie van een brief van 30 september 1996 van Binnenwaterbeheer Amsterdam betreffende de vervanging van de woonboot Zeezicht door de Tramp, waarvan de ontvangst overigens door gedaagde wordt betwist, is hiertoe ontoereikend. Ook heeft [naam partner] in de jaren 1995 en 1996 langer dan de opgegeven vier weken in het buitenland verbleven, zodat zij over die jaren deels geen recht meer had op bijstand. Het gaat hier om voor de bijstandverlening relevante feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw.

De Raad is van oordeel dat als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht het recht op uitkering van [naam partner] over de in het geding zijnde periode niet is vast te stellen. Voor de periode van 23 december 1993 tot en met 1997, waarin [naam partner] als alfahulp werkzaam was, geldt dat over de jaren 1993 tot en met 1997 slechts jaaropgaven van de stichting Thuiszorg betreffende de betaalde bruto bedragen inclusief onkostenvergoedingen en exclusief vakantietoeslag beschikbaar zijn, op grond waarvan niet kan worden vastgesteld of en zo ja, in hoeverre [naam partner] gezien haar inkomsten op maandbasis nog recht op aanvullende bijstand had. Over de duur van het verblijf van [naam partner] in 1995 en 1996 buiten Nederland en over haar inkomsten uit de exploitatie van de Tramp ontbreken concrete en verifieerbare gegevens. Vanaf 13 februari 1998 moest [naam partner] als gehuwd worden beschouwd en kon zij niet langer als zelfstandig subject van bijstand aanspraak maken op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande.

Het voorgaande brengt mee dat gedaagde het recht op uitkering van [naam partner] over de periode van 23 december 1993 tot en met 31 maart 1998 terecht heeft ingetrokken. Vanaf 1 juli 1997 was gedaagde tot intrekking gehouden op basis van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om van intrekking af te zien.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het tijdvak van 23 december 1993 tot en met 31 december 1995 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 maart 1998 aan de voorwaarden van artikel 81, eerste lid (tekst tot en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw om van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.



Ten aanzien van appellant

De rechtbank heeft de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 juli 1999 in stand gelaten op de grond dat appellant inkomsten heeft verworven uit de exploitatie van de Tramp en tevens over een vermogen beschikte boven de voor hem geldende vermogensgrens.

De Raad stelt vast dat appellant in april 1982 het zeiljacht Rana heeft aangeschaft voor een bedrag van f 7.500,--. Hoewel de Raad het gelet op de stukken en in het bijzonder het feit dat appellant dit jacht per 1 juni 1992 heeft verzekerd voor f 108.420,-- aannemelijk acht dat dit zeiljacht op 23 december 1993 aanzienlijk in waarde was gestegen, bieden de over de positieve en negatieve vermogensbestanddelen van appellant beschikbare gegevens naar het oordeel van de Raad onvoldoende feitelijke grondslag voor de conclusie dat appellant gedurende de periode van 23 december 1993 tot aan zijn huwelijk met [naam partner] op 13 februari 1998 steeds heeft beschikt over een in aanmerking te nemen vermogen boven de vermogensgrens, dat aan bijstandsverlening in de weg stond.

De Raad is echter van oordeel dat de rechtsgevolgen van het op het recht op bijstand van appellant betrekking hebbende besluit van 9 juli 1999 op een andere grond in stand dienen te worden gelaten. Daartoe overweegt hij het volgende.
Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat ook appellant in meer dan een opzicht de op hem rustende wettelijke inlichtingenplicht heeft geschonden. Op grond van de onderzoeksbevindingen staat voor de Raad voldoende vast dat appellant bij zijn aanvraag om bijstand het zeiljacht Rana niet als bezitting aan gedaagde heeft opgegeven, en ook nadien geen gewag heeft gemaakt van het bezit van dit schip. De stelling van appellant dat hij bij zijn aanvraag in het Italiaans opgestelde financiŽle stukken heeft laten zien waarin ook de Rana is verantwoord, is niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft ook appellant in de jaren 1995 en 1996 langer dan de opgegeven vier weken in het buitenland verbleven, heeft hij de aankoop van het schip de Tramp niet aan gedaagde gemeld en evenmin opgegeven dat [naam partner] en hij vanaf 1 november 1996 dit schip samen als botel exploiteerden. Naar het oordeel van de Raad gaat het hier om voor de bijstandsverlening relevante feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw.

Met betrekking tot de periode van 23 december 1993 tot 13 februari 1998 en van 8 maart 1998 tot en met 17 juni 1998 kan naar het oordeel van de Raad als gevolg van de schending van de inlichtingenplicht niet worden beoordeeld of en zo ja, in welke mate appellant beschikte over middelen in de vorm van vermogen en inkomsten, zodat het recht op bijstand over deze perioden niet kan worden vastgesteld. Voor de periode van 13 februari tot 8 maart 1998 geldt dat appellant als gehuwd moest worden beschouwd en niet als zelfstandig subject van bijstand aanspraak kon maken op een uitkering naar de norm voor een alleenstaande. Over de periode van 18 juni 1998 tot en met 31 augustus 1998 beschikte appellant over een vermogen uit de opbrengst van de verkoop van de Tramp voor een bedrag van f 325.000,--, dat aan bijstandsverlening in de weg stond.

Het voorgaande betekent dat gedaagde het recht op uitkering van appellant over de periode van 23 december 1993 tot en met 31 augustus 1998 terecht heeft ingetrokken. Vanaf 1 juli 1997 was gedaagde tot intrekking gehouden op basis van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om van intrekking af te zien.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is tevens gegeven dat over het tijdvak van 23 december 1993 tot en met 31 december 1995 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 augustus 1998 aan de voorwaarden van artikel 81, eerste lid (tekst tot en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw om van terugvordering af te zien is de Raad niet gebleken.

In verband met hetgeen hiervoor is overwogen is de Raad evenals de rechtbank en onder overneming van de daaraan ten grondslag gelegde motivering van oordeel dat het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:73 van de Awb dient te worden afgewezen.

De aangevallen uitspraak komt, voorzover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x