Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7353
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Afwijzing van het verzoek om vergoeding van immateriŽle schade.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/2081 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Naaldwijk. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Naaldwijk.

Appellante heeft op 28 april 2003 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van rechtbank 's-Gravenhage van 19 maart 2003, reg.nr. 02/2140 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Op 30 mei 2003 heeft zij de gronden van het beroep aangevuld.

Bij faxbericht van 23 oktober 2003 heeft gedaagde de Raad een besluit op bezwaar van 1 april 2003 gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Om te kunnen beoordelen of appellante de verplichting als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) opgelegd kan worden, is appellante bij brief van 1 oktober 2001 verzocht met de bedrijfsarts van Werkstroom BV een afspraak te maken. Vervolgens heeft appellante tweemaal een afspraak met de betreffende bedrijfsarts afgezegd en heeft zij op een verzoek van gedaagde van 14 november 2001 om een nieuwe afspraak te maken niet gereageerd.

In verband hiermee heeft gedaagde bij besluit van 8 januari 2002 de uitkering van appellante voor de duur van een maand verlaagd met 5%.

Het tegen dit besluit gemaakt bezwaar is door gedaagde ongegrond verklaard bij besluit van 25 april 2002.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht - het tegen het besluit van 25 april 2002 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Ter uitvoering van de hiervoor vermelde uitspraak heeft gedaagde het in rubriek I genoemde besluit van 1 april 2003 genomen, waarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 8 januari 2002 alsnog gegrond is verklaard en dit besluit is herroepen.

Appellante kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak en voert hiertoe - samengevat - aan dat zij niet verplicht kan worden tot het maken van een afspraak met een bedrijfsarts ten einde haar arbeidsgeschiktheid te kunnen bepalen, aangezien het in haar situatie niet noodzakelijk en zinvol is de arbeidsverplichting op te leggen. Tevens vordert appellante schadevergoeding voor al het leed en onrecht dat haar gezin is aangedaan.

De Raad overweegt allereerst dat hij - anders dan appellante - van oordeel is dat met de herroeping van het besluit van 8 januari 2002 volledig tegemoet is gekomen aan haar (hoger) beroep. Dit betekent dat appellante slechts nog procesbelang heeft voorzover haar hoger beroep is gericht op een veroordeling van gedaagde tot schadevergoeding.

De Raad stelt vast dat met de vernietiging door de rechtbank van het besluit op bezwaar van 25 april 2002 de onrechtmatigheid van dit besluit vaststaat.

Voorts begrijpt de Raad het schadeverzoek van appellante zo, dat verzocht wordt om vergoeding van immateriŽle schade op de voet van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Naar het oordeel van de Raad is appellante, die niet meer heeft gesteld dan dat haar gezin geestelijk leed en onrecht is aangedaan, er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat zij zodanig onder het besluit van gedaagde heeft geleden dat sprake was van geestelijk letsel dat kan worden beschouwd als een aantasting van haar persoon in de zin van artikel 6:106 BW. Het verzoek om vergoeding van immateriŽle schade moet dan ook worden afgewezen.
Hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd behoeft naar het oordeel van de Raad geen bespreking, nu deze grieven buiten de orde vallen van het geding in hoger beroep.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x