Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7420
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten als organist. Naar aanleiding van de aangedragen gegevens had zorgvuldiger onderzoek bij de herziening moeten plaatsvinden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/6122 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de Commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid weer bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. L.A.M.G. Wellen, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Gravenhage op 23 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/00250 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellant en zijn gemachtigde niet zijn verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Maas, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving vanaf 30 september 1985 een uitkering op grond van de op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een alleenstaande, welke uitkering met ingang van 1 april 1996 is omgezet in een uitkering op grond van de Algemene bijstandwet (Abw).

Naar aanleiding van ingekomen informatie van de Belastingdienst, waaruit bleek dat appellant inkomsten genoot, is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. Op grond van de onderzoeksbevindingen, welke zijn neergelegd in een rapport van 3 september 1999, heeft gedaagde bij besluit van 30 september 1999 de uitkering van appellant over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 15 januari 1998 herzien wegens het verzwijgen van werkzaamheden als organist en de daaruit verworven inkomsten. Voorts zijn de kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van f 32.592,89 van hem teruggevorderd.

Bij besluit van 1 december 2000 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 september 1999 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het namens appellant tegen het besluit van 1 december 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover de herziening van het recht op uitkering over de periode van 1 januari 1996 tot 1 april 1996 op een onjuiste wettelijke grondslag berust, de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand gelaten en beslissingen gegeven inzake proceskosten en griffierecht.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt voorop dat op grond van de gedingstukken genoegzaam is komen vast te staan dat appellant over de periode in geding geen melding heeft gemaakt van zijn werkzaamheden als organist van de [kerk] en voorts dat hij met die werkzaamheden inkomsten heeft verworven. De Raad is derhalve van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant de op hem rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid (tekst voor en vanaf 1 juli 1997) van de Abw heeft geschonden, en dat de uitkering dient te worden herzien, met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 1997 onder toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Partijen verschillen van mening over het antwoord op de vraag of op die inkomsten verwervingskosten alsmede kosten voor vervanging van appellant in mindering moeten worden gebracht.

Gedaagde heeft bij de vaststelling van de hoogte van de inkomsten geen rekening gehouden met aftrek van verwervingskosten, omdat appellant niet (voldoende) aannemelijk heeft gemaakt dat hij die kosten heeft moeten maken. Van de kant van appellant is gesteld dat gedaagde rekening moet houden met een forfaitair bedrag van f 50,-- per maand voor de kosten van bladmuziek, vervoer, kleding en muziekbonnen.

De Raad is van oordeel dat gedaagde terecht geen rekening heeft gehouden met (forfaitaire) verwervingskosten, reeds omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is geweest van enige gemaakte kosten samenhangend met het verwerven van inkomsten als organist. In zoverre kan het hoger beroep niet slagen.

Appellant heeft in bezwaar, beroep en hoger beroep gesteld dat hij als freelancer weliswaar het gehele door de Gereformeerde Kerk aan gedaagde opgegeven bedrag aan inkomsten heeft ontvangen, doch dat hij daarmee ook andere organisten heeft betaald die hem tijdens zijn afwezigheid wegens vakantie, ziekte of anderszins met instemming van de Gereformeerde Kerk vervingen. Hij was niet gehouden de arbeid persoonlijk te verrichten en hij kon zich naar het uitkwam laten vervangen. In beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn stelling belastingaangiftes overgelegd, waarin hij de kosten van vervanging heeft opgenomen. Verder heeft hij in hoger beroep nader gespecificeerd wanneer en door wie hij is vervangen en welke vergoeding hij daarvoor betaalde. Ter ondersteuning hiervan heeft hij diverse giroafschriften als betalingsbewijs overgelegd.

Gedaagde heeft echter geen rekening gehouden met de door appellant opgevoerde kosten van vervanging en is bij de vaststelling van de door appellant verworven inkomsten uitgegaan van de opgave door de Gereformeerde Kerk. Daarbij heeft gedaagde overwogen dat door appellant onvoldoende is aangetoond dat de door hem aangegeven betalingen zijn verricht in verband met vervanging, hetgeen naar het oordeel van gedaagde voor zijn risico komt. Desgevraagd is van de kant van gedaagde ter zitting gesteld dat met een vergoeding voor vervanging wel rekening zou zijn gehouden, indien zowel de vervanging zelf - met in begrip van de daaraan ten grondslag liggende rechtsverhouding - als de daarvoor betaalde vergoeding voldoende inzichtelijk zouden zijn gemaakt.

De Raad is van oordeel dat appellant met de in beroep en hoger beroep overgelegde gegevens in beginsel voldoende verifieerbare gegevens heeft aangedragen om aannemelijk te maken dat hij zich met instemming van de Gereformeerde Kerk mocht en heeft laten vervangen door een beperkte groep met name genoemde personen en daarvoor een vergoeding betaalde zodat de omvang van de door appellant verrichte werkzaamheden en hiermee de omvang van zijn verdiensten per saldo lager is dan de omvang waarvan gedaagde in het besluit van 1 december 2000 is uitgegaan. Gelet hierop alsmede op gedaagdes standpunt dat in beginsel met (de door appellant betaalde vergoeding voor) vervanging rekening kan worden gehouden, had gedaagde aan die gegevens niet zonder meer voorbij mogen gaan, doch hierin aanleiding moeten vinden een nader onderzoek in te stellen. De Raad merkt op dat hiermee nog niet gezegd is dat appellant met de overgelegde gegevens alle vervanging en de in verband daarmee beweerdelijk betaalde vergoeding inzichtelijk heeft gemaakt. De Raad merkt voorts op dat voorzover er na onderzoek onduidelijkheid blijft bestaan, dit voor risico van appellant komt, gelet op de omstandigheid dat appellant de inlichtingenplicht heeft geschonden.

Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 1 december 2000 wat de herziening betreft wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan worden gelaten. Nu daarmee de grondslag aan de terugvordering is komen te ontvallen, dient het besluit van 1 december 2000 ook in zoverre te worden vernietigd alsmede de aangevallen uitspraak, met uitzondering van de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten. De Raad zal gedaagde opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,--.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak met uitzondering van de bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 1 december 2000;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 322,-- te betalen door de gemeente 's-Gravenhage;
Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 77,14 (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. C. van Viegen en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x