Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7504
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 23-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Hoogte van het terug te vorderen bedrag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4938 NABW en 04/642 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op in het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 6 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. ABW 99/2447, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nog nadere stukken ingezonden.

Gedaagde heeft ter uitvoering van de aangevallen uitspraak onder dagtekening 26 januari 2004 een nieuw besluit op bezwaar genomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 februari 2004. Daar is appellant, zoals vooraf bericht, niet verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.M.M. Geurts, werkzaam bij de gemeente Wijchen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad voegt daaraan nog het volgende toe.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van gedaagde van 16 november 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd omdat het is genomen in strijd met de wet alsmede omdat het op een deels onjuiste feitelijke grondslag berust, gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak en een beslissing gegeven inzake het griffierecht.
Daarbij heeft de rechtbank als haar oordeel uitgesproken dat gedaagde op goede gronden heeft aangenomen dat in het geval van appellant en mevrouw [naam huisgenote] (verder: [naam huisgenote]) in de in geding zijnde periode sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding en dat appellant door gedaagde hiervan geen mededeling te doen de op hem rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Voorts heeft de rechtbank geconcludeerd dat, nu er voor bijstandsverlening aan zowel appellant als [naam huisgenote] naar de norm van een alleenstaande geen plaats was, gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ten onrechte verstrekte bijstand dient te worden teruggevorderd.

Appellant heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

Gedaagde heeft op 26 januari 2004 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak een nader besluit op bezwaar genomen welk besluit, naar ter zitting desgevraagd is bevestigd, geheel in de plaats is getreden van het eerdere besluit op bezwaar van 16 november 1999. Dit nadere besluit strekt dus tot intrekking van het besluit van 16 november 1999 en houdt onder meer in dat de over de periode van 29 september 1992 tot 1 mei 1993 aan appellant verstrekte bijstand van hem wordt teruggevorderd wegens het verzwijgen van het voeren van een gezamenlijke huishouding met [naam huisgenote]. De hoogte van het terug te vorderen bedrag van de over de periode 29 september 1992 tot 1 mei 1993 ten onrechte verstrekte bijstand is nader vastgesteld op € 3.423,13. Appellant kan zich niet verenigen met het standpunt dat sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding, met name niet omdat naar de mening van appellant niet gezamenlijk in huisvesting werd voorzien.
Gelet hierop ziet de Raad aanleiding om met overeenkomstige toepassing van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van 26 januari 2004 mede in zijn beoordeling te betrekken.

De vraag rijst of nog een belang resteert bij het hoger beroep nu het besluit van 16 november 1999 inmiddels is ingetrokken. Dat belang kan gelegen zijn in een verzoek om schadevergoeding. Aangezien door appellant geen verzoek is gedaan om toepassing van artikel 8:73 van de Awb en ook overigens niet van enig processueel belang is gebleken, is de Raad van oordeel dat appellant geen belang meer heeft bij het hoger beroep. Dit brengt mee dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Met betrekking tot het besluit van 26 januari 2004 overweegt de Raad als volgt.

Allereerst overweegt de Raad dat appellant in de in geding zijnde periode uitkering heeft ontvangen op grond van de op de Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers. Met ingang van 1 januari 1996 is de ABW ingetrokken en is de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) in werking getreden. Met betrekking tot het onderhavige geschil is het materiële recht van toepassing zoals dat gold ten tijde van de verlening van de thans teruggevorderde bijstand.

Ingevolge artikel 5a, tweede lid, van de ABW kan van een gezamenlijke huishouding slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Ten gronde is in geschil het antwoord op de vraag of appellant en [naam huisgenote] van 29 september 1992 tot 1 mei 1993 gezamenlijk in hun huisvesting voorzagen als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de ABW.

De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend. Naar de Raad reeds meermalen heeft overwogen behoeft het aanhouden van afzonderlijke woonruimte op zich zelf genomen aan het gezamenlijk voorzien in huisvesting niet in de weg te staan. In dat geval zal echter redelijkerwijs aannemelijk moeten zijn dat desondanks toch een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts één van de beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op andere wijze een zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat de facto van samenwonen moet worden gesproken.

Gelet op hetgeen appellant en [naam huisgenote] hieromtrent tegenover de sociale recherche hebben verklaard moet als vaststaand worden aangenomen dat zij in genoemde periode, hoewel zij er om hen moverende redenen de voorkeur aan gaven om ieder te blijven beschikken over een eigen woning, in feite hoofdzakelijk gezamenlijk verbleven in één woning, afwisselend in die van appellant op Hoogmeer 10-44 te Wijchen en in die van [naam huisgenote] op de dezelfde galerij met nummer 10-38, op welk adres zij meestentijds verbleven. In hoger beroep heeft appellant betwist dat hij en [naam huisgenote] tegenover de sociale recherche hebben verklaard dat sprake was van een samenwoonrelatie op twee adressen. De Raad komt op dit punt evenals de rechtbank tot het oordeel dat er geen redenen zijn op grond waarvan niet zou mogen worden uitgegaan van de juistheid van de weergave van de - door hen ondertekende - verklaringen van appellant en [naam huisgenote] in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal.
Op grond van het voorgaande is de Raad tot het oordeel gekomen dat gedaagde op goede gronden heeft aangenomen dat appellant over de periode van 29 september 1992 tot 1 mei 1993 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam huisgenote] als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de ABW. Door gedaagde hiervan niet tijdig op de hoogte te stellen, heeft appellant de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken. Conform de uitspraak van de rechtbank, heeft gedaagde het bedrag van de terugvordering thans gebaseerd op het verschil tussen hetgeen aan appellant en aan [naam huisgenote] in totaal is verstrekt en de gehuwdennorm. De Raad is niet gebleken dat het bedrag van de terugvordering onjuist is berekend. Het besluit van 26 januari 2004 kan derhalve, gelet op het voorgaande, in stand blijven.

Al hetgeen appellant voor het overige nog heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep voorzover dat geacht wordt te zijn gericht tegen het besluit van 26 januari 2004 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans

(get.) P.E. Broekman




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene Bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x