Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7529
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Overschrijding van de beroepstermijn wordt niet verschoonbaar geacht wegens het niet afhalen van een aangetekend stuk.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/4942 NABW en 01/4943 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft bij beroepschrift van 11 september 2001 hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 5 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 99/3944 NABW en 00/2740 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Bij brief van 18 december 2001 zijn namens appellant de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is gevoegd met het geding met reg.nr. 02/2221 NABW behandeld ter zitting van 16 maart 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande. Op 18 augustus 1998 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd ter voorziening in de kosten van de aanschaf van een bril. Bij besluit van 23 oktober 1998 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 19 maart 1999 ongegrond verklaard.

Op 3 augustus 1999 heeft appellant bijzondere bijstand aangevraagd ter voorziening in de kosten van de aanschaf van vloerbedekking en een koelkast. Bij besluit van 22 oktober 1999 is deze aanvraag afgewezen. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 maart 2000 ongegrond gemaakt.

Bij aangevallen uitspraak van 5 juli 2001 heeft de rechtbank de beroepen gericht tegen beide afzonderlijke besluiten op bezwaar ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Volgens artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.

De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is het beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.

Blijkens de door de rechtbank in hoger beroep ingezonden envelop is de aangevallen uitspraak aangetekend verzonden en door de PTT op 6 juli 2001 aan het adres van appellant aangeboden. Omdat er geen gehoor werd gekregen, is blijkens de mededeling op de envelop een kennisgeving op het adres van appellant achtergelaten. Omdat de aangetekende brief door appellant niet op het postkantoor is opgehaald, is deze aan de rechtbank geretourneerd, waarna de aangevallen uitspraak bij brief van 1 augustus 2001 opnieuw aan appellant is aangeboden. Met deze toezending is evenwel geen nieuwe beroepstermijn gaan lopen. Nu appellant eerst bij schrijven van 11 september 2001 hoger beroep heeft ingesteld, is de beroepstermijn (die, gelet op artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:8, eerste lid, en met artikel 3:41, eerste lid, van de Awb, aanving op 6 juli 2001 en die eindigde op 16 augustus 2001) overschreden.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen gronden om de overschrijding van die termijn verschoonbaar te achten. Daarbij merkt de Raad nog op dat appellant na ontvangst van de brief van 1 augustus 2001 nog tijdig beroep had kunnen instellen.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 april 2004.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x