Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7587
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/5638 NABW en 01/5639 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Helder, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN


Namens appellanten heeft mr. N. van der Kruk, advocaat te Hoorn, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 17 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nrs. 00/988 NABW en 00/986 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 17 februari 2004, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 1 september 1992, met onderbrekingen, achtereenvolgens een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet, ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers en - met ingang van 1 oktober 1996 - op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 16 december 1999 heeft gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1998 gedeeltelijk en over de daarop volgende periode tot en met 31 augustus 1999 geheel ingetrokken en de kosten van bijstand van appellante teruggevorderd. Aan de intrekking ligt ten grondslag dat appellante de op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden door bij gedaagde geen melding te maken van het feit dat zij en appellant een gezamenlijke huishouding voerden. Bij besluit van eveneens 16 december 1999 heeft gedaagde de kosten van bijstand mede van appellant teruggevorderd.

Appellanten hebben afzonderlijk bezwaar gemaakt tegen de tot hen gerichte besluiten van 16 december 1999. Bij besluit van 16 mei 2000 heeft gedaagde de bezwaren van appellante wat de periode van 1 augustus 1998 tot en met 31 augustus 1998 betreft gegrond verklaard en de bezwaren voor het overige ongegrond verklaard en de kosten van bijstand ten bedrage van f 22.596,94 teruggevorderd. Bij besluit van eveneens 16 mei 2000 heeft gedaagde de bezwaren van appellant wat de periode van 1 augustus 1998 tot 31 december 1998 betreft gegrond verklaard en voor het overige ongegrond verklaard en de kosten van bijstand ten bedrage van f 13.700,74 mede van hem teruggevorderd. Appellanten hebben afzonderlijk beroep ingesteld tegen de tot hen gerichte besluiten.

Bij de aangevallen uitspraak van 17 september 2001 heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 16 mei 2000 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

In hoger beroep hebben appellanten zich tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Met betrekking tot de intrekking en terugvordering ter zake van appellante

Ingevolge het bepaalde in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde die met een ander een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond van het derde lid van dat artikel is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt een gezamenlijk huishouding in ieder geval aanwezig geacht, indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de verlening van bijstand als gehuwden zijn aangemerkt.

Aangezien vaststaat dat appellanten met elkaar gehuwd zijn geweest, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde in geding sprake was van een gezamenlijke huishouding doorslaggevend of appellanten hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat dit het geval is. Op grond van de onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 25 november 1999, is genoegzaam komen vast te staan dat appellanten in de periode van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 1999 hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Daartoe overweegt de Raad in de eerste plaats dat appellante tegenover de Sociale Recherche heeft verklaard dat in ieder geval vanaf april 1999 sprake is geweest van het - feitelijk - hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, te weten in de woning van appellante op het adres [adres]. Naar vaste jurisprudentie mag in beginsel worden uitgegaan van de juistheid van een tegenover een onderzoeksambtenaar of een opsporingsambtenaar afgelegde verklaring. De Raad heeft in dit verband onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor de door appellante betrokken stelling dat zij de verklaringen tegenover de Sociale Recherche niet in vrijheid zou hebben afgelegd, zodat appellante aan die verklaringen moet worden gehouden.

De onderzoeksbevindingen van de Sociale Recherche bieden voorts voldoende grondslag voor de conclusie dat in de periode van september 1998 tot april 1999 eveneens sprake is van een hoofdverblijf in dezelfde woning. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat vijf naaste buren van appellante - als getuigen gehoord - hebben verklaard dat appellant, appellante en twee kinderen reeds enige jaren op het adres van appellante wonen. De Raad acht het, tegen de achtergrond daarvan en voor het overige op dezelfde gronden als de rechtbank, niet aannemelijk dat appellant zijn hoofdverblijf heeft gehad op de adressen waar hij naar eigen zeggen in de in geding zijnde periode heeft gewoond, achtereenvolgens [adres] en [adres] te [woonplaats]. Met de rechtbank is de Raad voorts van oordeel dat aan de nadien ingebrachte verklaring van D. Karia, bewoner van de woning [adres] te [woonplaats], waarin hij terugkomt op zijn eerdere verklaring, voorbij kan worden gegaan. Daarbij komt dat de echtgenote van Karia, S. Bhaggoe, heeft verklaard dat appellant slechts een korte periode, geheel gelegen buiten de in geding zijnde periode, op dat adres heeft gewoond.

Aan de grief dat de observaties in de periode van 6 augustus 1999 tot en met 18 augustus 1999 zonder toestemming van de officier van justitie hebben plaatsgevonden en daardoor onrechtmatig zouden zijn, wat daar ook van zij, gaat de Raad voorbij, reeds omdat de observaties zien op de na april 1999 gelegen periode. Ten aanzien van die periode is door appellante erkend dat sprake is van samenwoning.

De Raad komt dan ook tot de conclusie dat appellanten in de periode van 1 september 1998 tot en met 31 augustus 1999 een gezamenlijke huishouding voerden als bedoeld in artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw.
Appellante heeft, in strijd met de op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting, aan gedaagde geen mededeling gedaan van deze gezamenlijke huishouding.

Het vorenstaande betekent dat appellante ingaande 1 september 1998 niet beschouwd kon worden als een zelfstandig subject van bijstand, zodat zij geen recht had op een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Gedaagde was derhalve op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om tot intrekking van de uitkering van appellante over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was om daarvan af te wijken, is de Raad niet gebleken.

Met het voorgaande is tevens gebleken dat over het tijdvak van 1 september 1998 tot 31 augustus 1999 is voldaan aan de voorwaarden van terugvordering als bedoeld in artikel 81, eerste lid, van de Abw, zodat gedaagde gehouden was over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand over dat tijdvak. Van dringende redenen in de zin van artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, is de Raad evenmin gebleken.



Met betrekking tot de terugvordering ter zake van appellant

In het onderhavige geding dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw. Daarin is bepaald, dat indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven, omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met appellante een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Abw heeft gevoerd.

Gelet op het voorgaande is de Raad met de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. Nu, gelet op het voorgaande voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat appellante de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw.

Gedaagde was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte ten aanzien van appellante gemaakte kosten van bijstand mede van appellant terug te vorderen.
De Raad ziet in de omstandigheden van appellant ten slotte geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering ten aanzien van appellant af te zien.



Slotoverwegingen

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen een beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x