Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7663
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/5491 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat te Amsterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Amsterdam op 15 augustus 2001 tussen - onder meer - partijen onder reg.nr. AWB 99/12748 NABW gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellante, met bericht, niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. L.M. Mulder, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft aan [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) in onder meer de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 een bijstandsuitkering verleend naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van het vermoeden dat [betrokkene] een gezamenlijke huishouding met appellante zou voeren, heeft de afdeling Sociale Recherche van de Sociale Dienst van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van [betrokkene]. De resultaten van dat onderzoek, in het kader waarvan dossieronderzoek is gedaan, informatie is ingewonnen bij het Kadaster, een huisbezoek is afgelegd en appellante en [betrokkene] zijn verhoord, zijn neergelegd in een rapport van 15 oktober 1996.

Gedaagde heeft in een en ander aanleiding gezien om de uitkering van [betrokkene] met ingang van 1 november 1996 te beŽindigen. Tevens heeft gedaagde bij besluit van 20 april 1999 de over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 aan [betrokkene] verleende bijstand ten bedrage van f 54.183,54 van haar teruggevorderd. Gedaagde heeft dat besluit gebaseerd op het standpunt dat [betrokkene], zonder daarvan aan gedaagde mededeling te hebben gedaan, een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd, terwijl het inkomen van appellante hoger is dan de bijstandsnorm voor een gezin, zodat de bijstand ten onrechte is verleend.

Bij hetzelfde besluit van 20 april 1999 heeft gedaagde de aan [betrokkene] over de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 verleende bijstand mede van appellante teruggevorderd.

Bij besluit van 2 november 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 april 1999 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder nummer AWB 99/12748 NABW onder andere het namens appellante tegen het besluit van 2 november 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep gesteld dat zij in de in geding zijnde periode geen gezamenlijke huishouding met [betrokkene] heeft gevoerd. Ook zouden de artikelen 59a, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW) respectievelijk 84, tweede lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in haar situatie niet van toepassing zijn omdat, gelet op de hoogte van haar inkomen, de bijstand niet als gezinsbijstand had moeten worden verleend maar er in het geheel geen bijstand had moeten zijn verleend.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

In zijn uitspraak van heden in het geding tussen [betrokkene] en gedaagde, met reg.nr. 01/5392 NABW, heeft de Raad geoordeeld dat [betrokkene], achteraf bezien, in december 1995 geen recht had op algemene bijstand ingevolge de ABW zodat zij geen persoon is als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet. Dit brengt voor de beoordeling van de onderhavige zaak mee dat in de periode van 1 mei 1994 tot 1 januari 1996 de ABW van toepassing is en in de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober 1996 de Abw zoals die in laatstgenoemde periode luidde.

Gedaagde heeft het besluit van 2 november 1999 mede gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw zoals die bepaling met ingang van 1 juli 1997 is komen te luiden. Ook heeft gedaagde over de periode van 1 januari 1996 tot en met 31 oktober 1996 de ABW van toepassing geacht. Dit betekent dat het bestreden besluit wegens strijd met de wet dient te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij het besluit van 2 november 1999 in stand is gelaten en het beroep ongegrond is verklaard, dient derhalve te worden vernietigd.

De vervolgens aan de orde komende vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, beantwoordt de Raad op grond van de volgende overwegingen bevestigend.

In het onderhavige geding dient de vraag te worden beantwoord of ten aanzien van appellante is voldaan aan de voorwaarden van - in de onderscheiden periodes - artikel 59a, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 84, tweede lid, van de Abw. In die artikelleden is bepaald dat indien de bijstand op grond van artikel 5 of 5a van de ABW respectievelijk artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat appellante de persoon is met wiens middelen bij de verlening van bijstand aan [betrokkene] rekening had moeten worden gehouden, is vereist dat appellante in de periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 5a, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 3, eerste en tweede lid (oud), van de Abw heeft gevoerd.

In zijn uitspraak van 19 januari 1999, reg.nr. 97/4522 ABW, waarin de beŽindiging van de bijstandsuitkering van [betrokkene] met ingang van 1 november 1996 aan de orde was, heeft de Raad het volgende overwogen (waarbij appellante als [appellante] en [betrokkene] als appellante is aangeduid):
"Vaststaat dat appellante en [appellante] al gedurende vele jaren en ook ten tijde hier in geding gezamenlijk voorzagen in huisvesting en twee maal samen zijn verhuisd.
De vraag of beiden bovendien een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzagen beantwoordt de Raad bevestigend.
Appellante heeft ter verkrijging van de mede-eigendom van de woonboot Baraka slechts de helft van de hypothecaire lening, te weten f 24.875,-- behoeven in te brengen. Door die inbreng is zij voor de helft eigenaar geworden van een woonboot, ten tijde van de koop ter waarde van ruim f 80.000,--, en waarvan de lening in 1988 is afgelost.
Aan appellante is als gevolg hiervan dankzij [appellante] een aanzienlijk vermogen toebedeeld. Voorts zijn [appellante] en appellante bij notariŽle akte van 7 mei 1986 overeengekomen dat in geval van overlijden van ťťn der partijen de gemeenschappelijke woonark zal verblijven aan de langstlevende.
In het rapport van de Sociale Recherche van 15 oktober 1996 is aangegeven dat appellante heeft verklaard dat zij ook na aflossing van de lening onveranderd f 240,45 per maand is blijven betalen aan [appellante] voor elektra, telefoon en overige voorzieningen, dat [appellante] en appellante gezamenlijk een inboedelverzekering hebben gesloten, dat zij jaarlijks bezien of de maandelijkse bijdrage van appellante teveel of te weinig was, terwijl voorts de overige kosten (zoals liggeld, reparaties e.d.) worden berekend; afrekening vindt contant plaats. Namens appellante is terzake slechts overgelegd een in februari 1996 opgemaakte berekening. Schriftelijke stukke, waarin de juistheid van de door appellante afgelegde verklaring wordt bevestigd, heeft zij niet overgelegd.
De Raad is van oordeel dat op grond van de aanzienlijke vermogensoverdracht van [appellante] aan appellante en het feit, dat zij - dank zij eerdergenoemd verblijvingsbeding - bij overlijden van [appellante] enig eigenaar wordt van de (sinds 1978 zeker in waarde gestegen) woonboot, voldoende blijkt van een financiŽle verstrengeling alsmede van een in elkaars verzorging voorzien als bedoeld in het tweede lid van artikel 5a van de ABW. Uit het rapport van de Sociale Recherche is niet gebleken van feiten en omstandigheden, die tot een ander oordeel zouden dienen te leiden.".

In zijn uitspraak van heden in het geding met het reg.nr. 01/5392 NABW heeft de Raad geoordeeld dat [betrokkene] niet alleen op 1 november 1996 maar ook in de in dit geding aan de orde zijnde periode van 1 mei 1994 tot en met 31 oktober 1996 een gezamenlijke huishouding met appellante heeft gevoerd. Tevens heeft de Raad geoordeeld dat [betrokkene] de op haar rustende informatieverplichting heeft geschonden.

De Raad is van oordeel dat op grond van deze overwegingen met betrekking tot appellante is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 59a, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 84, tweede lid, van de Abw. De Raad deelt niet het standpunt van appellante dat die bepalingen in haar geval niet van toepassing zijn omdat gelet op de hoogte van haar inkomen in het geheel geen bijstand had moeten worden verleend. Hij volstaat ermee te verwijzen naar zijn uitspraak van 13 mei 2003, gepubliceerd in USZ 2003/228. De Raad is voorts niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn van medeterugvordering van appellante af te zien.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op Ä 966,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 2 november 1999;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van Ä 966,--, te betalen door de gemeente Amsterdam;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x