Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO7747
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Schending van de inlichtingenplicht door inkomsten uit arbeid niet te melden. Hoogte van het terug te vorderen bedrag aan onverschuldigd betaalde bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4273 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.G.M. Lodder, advocaat te Utrecht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 26 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Abw 00/8756, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. drs. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.W. Meijer, werkzaam bij de gemeente Almere.




II. MOTIVERING


Appellant heeft samen met [partner] (hierna: [partner]) vanaf 6 juli 1995 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden ontvangen, met ingang van 1 april 1997 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst betreffende door appellant en [partner] ontvangen inkomsten uit arbeid heeft het team Sociale Recherche van het bureau Juridische Zaken van de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Almere een nader onderzoek ingesteld. Uit dat onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 18 april 2000, is onder meer naar voren gekomen dat appellant en [partner] in het tijdvak van 1 oktober 1995 tot en met 31 januari 1998 gedurende diverse perioden werkzaamheden bij uitzendbureaus hebben verricht en daaruit inkomsten hebben genoten zonder daarvan opgave te doen op de inkomstenformulieren.

Bij een tot appellant gericht besluit van 2 mei 2000 heeft gedaagde het recht op uitkering over het tijdvak van 1 oktober 1995 tot en met 31 januari 1998 herzien respectievelijk ingetrokken en de kosten van de over dat tijdvak verleende algemene en bijzondere bijstand tot een bedrag van in totaal f 34.298,04 van hem teruggevorderd.

Namens appellant is tegen het besluit van 2 mei 2000 bezwaar gemaakt tegen het feit dat het volledige bedrag van hem wordt teruggevorderd. Bij besluit van 15 augustus 2000 heeft gedaagde het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit van 2 mei 2000 in zoverre herroepen dat het terug te vorderen bedrag dient te worden vastgesteld op f 34.118,83.

De rechtbank heeft het beroep dat namens appellant tegen het besluit van 15 augustus 2000 is ingesteld ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad overweegt in de eerste plaats dat gedaagde en de rechtbank terecht hebben vastgesteld dat appellant zich in bezwaar uitsluitend heeft gekeerd tegen de terugvordering van de kosten van de over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 januari 1998 betaalde bijstand, zodat de rechtbank het geding terecht heeft beperkt tot de beoordeling van het terugvorderingsbesluit. Naar het oordeel van de Raad is de rechtbank echter buiten de aldus vastgestelde omvang van het geding getreden door vervolgens niettemin een oordeel te geven over de wettelijke grondslag van het besluit tot herziening/ intrekking van het recht op uitkering. De aangevallen uitspraak dient in verband hiermee wegens strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.

Met betrekking tot het besluit tot terugvordering overweegt de Raad het volgende.

Uit het besluit tot herziening/intrekking van het recht op uitkering en de daaraan ten grondslag liggende stukken kan worden afgeleid dat appellant en [partner] in 1996 over de maanden januari 1995 tot en met april 1996 nog recht op aanvullende bijstand hadden en dat over de maand mei 1996 gelet op de hoogte van de inkomsten geen recht op bijstand bestond. Op grond van artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet waren daarom vanaf 1 juni 1996 de bepalingen van de Abw op appellant van toepassing. Omdat aan het besluit op bezwaar voorzover dat ziet op de terugvordering van bijstand uitsluitend bepalingen van de Abw ten grondslag zijn gelegd, dient dat besluit te worden vernietigd voorzover dat ziet op de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996.

Niet in geschil is dat over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996 bijstand is verleend met toepassing van artikel 5a van de Algemene Bijstandswet (ABW). Voorts staat vast dat gedurende deze periode de inlichtingenverplichting van artikel 30, tweede lid, van de ABW niet is nagekomen, aangezien op de inkomstenformulieren geen mededeling is gedaan van het voor de beoordeling van het recht op bijstand belangrijke gegeven dat inkomsten werden ontvangen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW, zodat gedaagde verplicht is de kosten van bijstand terug te vorderen.

Op grond van artikel 59a, eerste en derde lid, van de ABW is hiermee tevens gegeven dat de kosten van de te veel betaalde bijstand mede van appellant moeten worden teruggevorderd. Hierbij is naar het oordeel van de Raad niet van belang dat [partner] - zoals namens appellant is gesteld - de financiële huishouding verzorgde, buiten hem om de inlichtingenformulieren opzettelijk onjuist heeft ingevuld en daarbij zijn handtekening heeft vervalst. Evenmin is relevant dat appellant in het geheel niet op de hoogte zou zijn geweest van de uitkeringssituatie en de Nederlandse taal niet goed zou beheersen. Beslissend is dat appellant en [partner] een gezamenlijke huishouding voerden en dat aan hen gezinsbijstand is verleend.

Voor de periode van 1 juni 1996 tot en met 31 januari 1998 geldt dat bijstand is verleend met toepassing van artikel 3, tweede lid, van de Abw. Vaststaat dat ook gedurende deze periode de inlichtingenverplichting van artikel 65, eerste lid, van de Abw niet is nagekomen. Nu het besluit tot herziening/intrekking van het recht op gezinsbijstand in rechte onaantastbaar is geworden, staat vast dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 81, eerste lid (tekst tot en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Gedaagde was daarom verplicht de kosten van de te veel betaalde bijstand terug te vorderen. Op grond van artikel 84, eerste en derde lid, van de Abw dienen deze kosten mede van appellant te worden teruggevorderd.

In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen op grond waarvan gedaagde bevoegd is geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Gezien het voorgaande zal de Raad, doende wat de rechtbank had behoren te doen, het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2000 gegrond verklaren en dat besluit vernietigen voorzover dat ziet op de terugvordering van bijstand over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996. De Raad ziet tevens aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van dat besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de in door appellant gemaakte proceskosten. Deze worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 augustus 2000 gegrond;
Vernietigt dat besluit, voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering van bijstand over de periode van 1 oktober 1995 tot en met 31 mei 1996;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,--, te betalen door de gemeente Almere;
Bepaalt dat de gemeente Almere aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. Th.C. van Sloten en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x