Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO8047
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 30-03-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onbevoegdheid van de CRvB inzake de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4274 NABW en 01/4275 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westervoort, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. A.J.M. van Haaren, advocaat te Arnhem, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem op 27 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. ABW 99/335, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad een nader stuk ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 13 januari 2004, waar partijen - met schriftelijke kennisgeving - niet zijn verschenen. Nadien is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Op verzoek van de Raad heeft gedaagde enige stukken in het geding gebracht.

Vervolgens hebben partijen toestemming gegeven om verder onderzoek ter zitting achterwege te laten.




II. MOTIVERING


Uit de gedingstukken blijkt, voorzover hier van belang, het volgende.

Appellanten ontvingen van gedaagde sedert 1 mei 1994 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), berekend naar de norm voor een echtpaar, welke uitkering met ingang van 1 november 1996 is voortgezet op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Op deze uitkering werden maandelijks in mindering gebracht de door appellante ontvangen inkomsten in verband met de door haar verrichte werkzaamheden bij wasserij "De Wissel". Voorts heeft gedaagde aan appellante in 1995, 1997 en 1998 premies toegekend in verband met in deeltijd verrichte werkzaamheden.

Uit een door het Bureau Bijzonder Onderzoek verricht onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 13 mei 1998, is gedaagde gebleken dat appellante bij wasserij "De Wissel" meer werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft genoten dan door haar zijn opgegeven. In verband hiermee heeft gedaagde met toepassing van de wettelijke bepalingen bij besluit van 17 juli 1998 de bijstandsuitkering van appellanten met ingang van 1 mei 1994 ingetrokken en de aan appellanten over de periode van 1 mei 1994 tot 1 april 1998 ten onrechte betaalde kosten van bijstand ten bedrage van f 85.521,51 bruto (tot 1 januari 1998) en f 4.650,32 netto (vanaf 1 januari 1998) teruggevorderd. Tevens zijn teruggevorderd de aan appellante sedert 1995 verstrekte premies deeltijdwerk. Het tegen het besluit van 17 juli 1998 gemaakte bezwaar is door gedaagde bij besluit van 13 januari 1999 ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij overwogen dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht niet beoordeeld kon worden of, en zo ja in welke mate bijstand kon worden verleend.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak - met bepaling omtrent griffierecht - het tegen het besluit van 13 januari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voorzover betrekking hebbend op de periode van 1 mei 1994 tot 1 juli 1997 en onder bijstelling van de wettelijke grondslagen bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven. De rechtbank heeft voorts het in het besluit van 13 januari 1999 vervatte inhoudelijke oordeel van gedaagde onderschreven.

Appellanten zijn tegen de aangevallen uitspraak in hoger beroep gekomen voorzover de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 13 januari 1999 gedurende de periode van 1 mei 1994 tot 1 juni 1996 in stand zijn gelaten. Appellanten hebben aangevoerd dat appellante weliswaar met ingang van de maand juni 1996 38 uren per week is gaan werken, maar dat zij tot 1 juni 1996 gedurende slechts 24 uur per week werkzaamheden heeft verricht. Appellanten menen derhalve dat zij tot die datum recht hebben op aanvullende bijstand.

Met betrekking tot het hoger beroep inzake de terugvordering van de verstrekte premie deeltijdwerk

De Raad stelt vast dat de aangevallen uitspraak gedeeltelijk ziet op een besluit op bezwaar met betrekking tot de aan appellante over 1995 toegekende premie deeltijdwerk van f 461,20 bruto. De Raad stelt voorts vast dat deze toekenning zijn grondslag niet vindt in de destijds vigerende Algemene Bijstandswet (ABW), doch geacht moet worden zijn grondslag te vinden in de Tijdelijke wet stimulering sociale vernieuwing (TWSSV).

In artikel 37, eerste lid, van de Wet op de Raad van State is onder meer bepaald dat een belanghebbende bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State hoger beroep kan instellen tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tenzij tegen de uitspraak hoger beroep kan worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep of het College van Beroep voor het bedrijfsleven. Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet kan - voorzover hier van belang - een belanghebbende bij de Raad hoger beroep instellen tegen een dergelijke uitspraak van de rechtbank indien het gaat om een besluit, genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.
Voorzover in het besluit van 13 januari 1999 is beslist omtrent de toepassing van de TWSSV, is geen sprake van een besluit, dat is genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage bij de Beroepswet.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de Raad niet bevoegd is te oordelen over de aangevallen uitspraak voorzover deze betrekking heeft op het besluit van 13 januari 1999 tot uitvoering van de TWSSV. Het hoger beroepschrift van appellanten zal, voorzover op dit onderwerp betrekking hebbend, met toepassing van artikel 6:15 van de Awb ter behandeling worden doorgezonden aan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Met betrekking tot het hoger beroep inzake de intrekking en terugvordering van bijstand gedurende de periode van 1 mei 1994 tot 1 juni 1996

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad stelt vast, dat appellanten in strijd met de in artikel 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 65, eerste lid (oud), van de Abw vervatte inlichtingenverplichting aan gedaagde geen mededeling hebben gedaan van de daadwerkelijke omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden ten tijde hier in geding.

Gedaagde heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat als gevolg van die schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de in geding zijnde periode niet meer kon worden vastgesteld, en om die reden de uitkering ingetrokken.

Hetgeen door appellanten is aangevoerd komt er op neer dat als zij de inlichtingenverplichting wel naar behoren zouden zijn nagekomen, aan hen over die periode aanvullende bijstand zou zijn verstrekt, zodat gedaagde ten onrechte tot - volledige - intrekking is overgegaan.

De Raad stelt vast dat appellanten met hetgeen zij hebben aangevoerd en aan gegevens hebben overgelegd ook thans nog onvoldoende inzicht hebben gegeven in de daadwerkelijke omvang van de door appellante verrichte werkzaamheden gedurende de in geding zijnde periode. Zoals uit de door appellanten en door de ex-werkgevers van appellante, [naam ex-werkgever 1] en [naam ex-werkgever 2], afgelegde verklaringen naar voren is gekomen, is appellante behoudens de in de boekhouding verantwoorde 5 uren per week, voor haar werkzaamheden voor het overige 'zwart' uitbetaald. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat tot 1 juni 1996 de werkzaamheden beperkt bleven tot maximaal 24 uur per week en de inkomsten onder de toepasselijke bijstandsnorm zijn gebleven. De Raad wijst in dat verband met name op de door voornoemde ex-werkgevers afgelegde verklaringen, waarin naar voren komt dat appellante ten tijde hier van belang ongeveer 36 uren per week werkzaam was. De Raad heeft geen enkele aanknopingspunt gevonden te twijfelen aan de juistheid van deze verklaringen. Gelet hierop ziet de Raad dan ook geen aanleiding deze ex-werkgevers als getuigen op te roepen, zoals door appellanten is verzocht.

Gedaagde heeft zich aldus in het besluit van 13 januari 1999 terecht op het standpunt gesteld dat ten gevolge van de schending van de inlichtingenplicht door appellanten niet meer is vast te stellen of in de periode in geding recht op bijstand bestond.

Met het voorgaande is gegeven dat tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van de over die periode ten onrechte betaalde bijstand. Aangezien evenmin is gebleken van dringende redenen op grond waarvan van terugvordering zou kunnen worden afgezien, vloeit uit het hiervoor overwogene voort dat ook de terugvordering in rechte stand kan houden.

Uit het hiervoor overwogene volgt dat de rechtbank ten aanzien van de intrekking en de terugvordering materieel juist heeft geoordeeld. Wel stelt de Raad vast dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de Abw eerst met ingang van 1 november 1996 op appellanten van toepassing was. Nu appellanten op 31 december 1995 geen recht hadden op bijstand, waren zij immers geen persoon als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting ABW, zodat zij reeds op 1 januari 1996 onder toepassing van de Abw vielen. Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover de gegrondverklaring van het beroep tegen en de vernietiging van het besluit van 13 januari 1999 ook betrekking heeft op de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1996. Hetzelfde geldt ten aanzien van de periode waarop het in stand laten van de rechtsgevolgen betrekking heeft. Vervolgens zal de Raad alsnog doen wat de rechtbank dienaangaande had behoren te doen.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep tot een bedrag van € 644,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 322,-- wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep gericht tegen de aangevallen uitspraak voorzover deze ziet op het besluit tot terugvordering van de over 1995 verstrekte premie deeltijdwerk.
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover betrekking hebbend op de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1996;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 13 januari 1999 gegrond voorzover daarbij de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juni 1996 verstrekte bijstand is teruggevorderd;
Vernietigd dat besluit in zoverre;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag van € 966, te betalen door de gemeente Westervoort aan de griffier van deze Raad;
Bepaalt dat de gemeente Westervoort aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x