Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO8352
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/4709 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almelo, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.H. van der Linden, advocaat te Almelo, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Almelo op 14 augustus 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/753 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellante - met voorafgaand bericht - niet is verschenen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. van Dijk, werkzaam bij de gemeente Almelo.




II. MOTIVERING


De Raad gaat voor zijn oordeelsvorming uit van de feiten die de rechtbank in rubriek 2 van de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen.

In geding is de vraag of het besluit van 15 augustus 2000, na door appellante gemaakt bezwaar tegen het besluit van 2 februari 1999, in rechte stand kan houden. Bij dit besluit heeft gedaagde de aanvraag van appellante van 26 januari 1999 tot toekenning van een bijstandsuitkering afgewezen op de grond dat appellante niet rechtmatig in de zin van de Algemene bijstandswet (Abw) in Nederland verblijft.

Die vraag is in de aangevallen uitspraak bevestigend beantwoord. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels geoordeeld dat appellante ten tijde hier van belang geen recht kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw, aangezien zij geen vreemdeling was in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (oud) (Vw) en zij ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998,308) met een Nederlander kon worden gelijkgesteld. De rechtbank heeft verder geoordeeld dat het beroep op artikel 11 van het Europees Verdrag voor Sociale en Medische Bijstand (EVSMB) faalt nu geen sprake was van een rechtmatig verblijf als bedoeld in dat verdrag. Voorts heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 26 juni 2001, gepubliceerd in USZ 2001/183, geoordeeld dat met de afwijzing van de in geding zijnde aanvraag van appellante geen sprake is van een niet gerechtvaardigd onderscheid naar nationaliteit. De rechtbank heeft tot slot het beroep op zeer dringende redenen in de zin van artikel 11, eerste lid, van de Abw verworpen, aangezien het tweede lid dat beroep uitsluit voor de vreemdeling zoals appellante, die niet is een vreemdeling als bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw.

De Raad heeft in hetgeen namens appellante in hoger beroep is aangevoerd - dat in vergelijking met de grieven in eerste aanleg geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten bevat - en hetgeen overigens in de gedingstukken vermeld staat, geen aanleiding kunnen vinden om tot een ander oordeel te komen. Hij onderschrijft daarbij de overwegingen uit de aangevallen uitspraak.

Met betrekking tot het namens appellante uitvoerig gehouden betoog met betrekking tot artikel 11 van het EVSMB overweegt de Raad nog het volgende. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 augustus 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2002/95, en naar de uitspraak van de Hoge Raad van 1 februari 2002, onder meer gepubliceerd in
USZ 2002/95, overweegt de Raad dat voor een rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11, onder a, van het EVSMB is vereist dat appellante beschikt over een door de Staat verstrekte verblijfsvergunning of andere vergunning. De omstandigheid dat het verblijf ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt niet de conclusie dat appellante ten tijde hier van belang over zulk een vergunning beschikte.

De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet geen aanleiding tot een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x