Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO8436
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Oplegging van maatregelen wegens het ten onrechte weigeren van passende arbeid en vanwege het door eigen toedoen geen passende arbeid hebben verkregen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/1158 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. S.A.M. Bakker, advocaat te Maastricht, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 11 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 0/967 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is gevoegd met het geding met reg.nr. 01/6163 NABW behandeld ter zitting van 16 maart 2004, waar appellant - met voorafgaand bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door L.B.W. Heuts, werkzaam bij de gemeente Maastricht.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Raad de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaken wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




III. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geval van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Bij besluit van 5 oktober 1999 heeft gedaagde de uitkering van appellant, met toepassing van artikel 5, eerste lid aanhef en onder b, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit) bij wijze van maatregel voor de duur van een maand verlaagd met 10% wegens het niet naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te krijgen.

Bij besluit van 23 maart 2000 heeft gedaagde de uitkering van appellant met ingang van 1 april 2000 bij wijze van maatregel voor de duur van vier maanden verlaagd met 50% wegens het driemaal niet aanvaarden van passende arbeid.

Bij besluit van 13 juni 2000 is het bezwaar tegen het besluit van 23 maart 2000 ongegrond verklaard op de grond dat appellant ten onrechte passende arbeid heeft geweigerd en door eigen toedoen geen passende arbeid heeft verkregen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 13 juni 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voorzover hier van belang, dat indien de belanghebbende een op grond van hoofdstuk VIII van de Abw aan de bijstand verbonden verplichting niet of niet behoorlijk is nagekomen, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat een maatregel bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. In het vijfde lid is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur met betrekking tot het eerste en het tweede lid nadere regels kunnen worden gesteld. De desbetreffende algemene maatregel van bestuur is het Maatregelenbesluit.

Ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder c (oud), van de Abw is de belanghebbende die voor de zelfstandige voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, verplicht passende arbeid te aanvaarden. Het tweede lid van dit artikel bepaalt voorzover van belang dat onder passende arbeid wordt verstaan alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de belanghebbende is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd.

Uit de gedingstukken is gebleken dat appellant -voor wie de verplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid (oud), van de Abw golden - op 8 april 1999 een functie als medicijnbezorger/ allround medewerker/ schoonmaak bij een apotheker in Maastricht heeft geweigerd. Voorts is gebleken dat appellant tijdens een sollicitatiegesprek op 10 augustus 1999 bij apotheker Prickartz zich op een zodanig negatieve wijze heeft opgesteld dat aan hem de functie van farmaceutisch vakman niet is aangeboden. Verder is aan appellant na een gesprek op 20 september 1999 bij het AZM de functie en opleidingsplaats als apothekersassistent niet aangeboden aangezien hij heeft aangegeven alleen als apotheker werkzaam te willen zijn en hiervoor te gaan studeren in Utrecht.

In hoger beroep - evenals in eerste aanleg - heeft appellant bestreden dat de hem aangeboden functie als medicijnbezorger/ allround medewerker/ schoonmaak bij een apotheker in Maastricht passend is aangezien hij in Irak voorafgaand aan zijn komst naar Nederland in 1992 heeft gewerkt als apotheker.

De Raad heeft in de gedingstukken geen aanknopingspunten gevonden om de functie niet passend voor gedaagde te achten. Hiertoe overweegt de Raad mede dat appellant reeds vijf jaar werkloos was. De omstandigheid dat appellant in Irak voorafgaand aan zijn komst naar Nederland als apotheker heeft gewerkt, leidt niet tot het oordeel dat de aangeboden functie niet passend zou zijn.

Door passende arbeid te weigeren, is appellant de ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder c (oud), van de Abw op hem rustende verplichting niet nagekomen. Van deze gedraging kan niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit vloeit voort dat gedaagde in beginsel op grond van artikel 14, eerste lid, van de Abw gehouden was een maatregel op te leggen. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, aanhef en onder 4, onderdeel a, en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d, van het Maatregelenbesluit wordt in het geval sprake is van het niet aanvaarden van passende arbeid de weigering van bijstand vastgesteld op 100% voor de duur van een maand. Voorts is gebleken dat binnen een periode van twaalf maanden na een vorige als verwijtbaar aangemerkt gedraging wederom sprake is geweest van een verwijtbare gedraging uit een hogere categorie, zodat ter zake van die gedraging toepassing van artikel 5, tweede lid, van het Maatregelenbesluit, de recidivebepaling, aangewezen is.

De Raad merkt op, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 12 maart 2002, gepubliceerd in JABW 2002/59 en RSV 2002/123, dat de bepalingen van het Maatregelenbesluit onverlet laten dat op grond van het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Abw kan worden afgeweken van de in dat besluit voorgeschreven standaardmaatregelen. Dit kan er in specifieke situaties toe leiden dat een zwaardere dan wel een lichtere maatregel dan de standaardmaatregel is aangewezen; deze afwijking kan betrekking hebben op de hoogte en/of de duur van de maatregel. Hierbij wordt aangetekend dat de op te leggen maatregel niet in strijd mag zijn met het algemeen rechtsbeginsel dat evenredigheid dient te bestaan tussen de maatregel en de ernst van de gedraging.

De vraag of gedaagde op goede gronden heeft besloten af te wijken van de standaardmaatregel van weigering van de bijstand met 100% voor de duur van twee maanden, beantwoordt de Raad bevestigend. Hiertoe is van belang dat na de weigering van passende arbeid op 8 april 1999 appellant in een negatieve houding ten aanzien van de inschakeling in het arbeidsproces heeft volhard, in aanmerking genomen dat appellant door deze negatieve opstelling tijdens de gesprekken bij apotheker Prickartz en het AZM op respectievelijk 10 augustus 1999 en 20 september 1999 geen functie is aangeboden. Naar het oordeel van de Raad zijn deze gedragingen - anders dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen - aan te merken als gedragingen van de derde categorie in de zin van artikel 3, aanhef en onder 3, van het Maatregelenbesluit. Verder is uit de gedingstukken af te leiden dat het abeidsmarkttoegeleidingstraject met appellant is beŽindigd omdat hij dusdanige eisen stelde aan de arbeidsbemiddeling dat dit in ernstige mate bemoeilijkt werd. Gedaagde heeft naar aanleiding van de gedragingen van appellant, rekening houdend met zijn individuele omstandigheden, gelegen in het feit dat de partner van appellant geen Abw-uitkering ontving en hij de zorg droeg over een kind dat jonger is dan vijf jaar, afgeweken van de standaardmaatregel en aan appellant een maatregel van 50% voor de duur van vier maanden opgelegd.

De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat de door gedaagde opgelegde maatregel voldoet aan het in artikel 14, tweede lid, van de Abw neergelegde afstemmingsvereiste. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 14, vierde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet bevoegd was van het opleggen van een maatregel af te zien.

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.

(get.) A.B.J. van der Ham.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x