Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO8712
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Veroordeling wegens mensensmokkel. Intrekking en terugvordering van de bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/6499 NABW en 01/6500 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], appellante, en [appellant], appellant, beiden wonende te [woonplaats],

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard-Geleen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding gedaagde in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Sittard. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Sittard.

Namens appellanten heeft mr. T. Scholtus, advocaat te 's-Gravenhage, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Maastricht op 13 november 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/220 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Op verzoek van de Raad zijn namens appellanten enige stukken in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 30 maart 2004, waar appellanten in persoon zijn verschenen, bijgestaan door mr. Scholtus, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. I.M. Haagmans, werkzaam bij de gemeente Sittard-Geleen. Als tolk is verschenen C. Pathmamanoharm.




II. MOTIVERING


Appellanten ontvingen vanaf 1994 een bijstandsuitkering, sedert 1 april 1997 ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden.
Op 12 januari 1998 is appellant aangehouden door een onderzoeksteam van de politie in verband met mensensmokkel. Bij uitspraak van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem van 10 september 1998 is appellant veroordeeld wegens deelneming gedurende de periode van 1 januari 1994 tot 12 januari 1998 aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, en wegens een ander uit winstbejag behulpzaam te zijn geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland. Vanwege het Bureau FinanciŽle Recherche van de Koninklijke Marechaussee is een strafrechtelijk financieel onderzoek ingesteld, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 20 december 1999. Volgens dat rapport bedroeg de omvang van het door appellant in 1996 wederrechtelijk verkregen voordeel f 16.364,-- en in 1997 f 33.941,--.

Bij besluit van 24 mei 2000 heeft gedaagde - voorzover in dit geding van belang - het recht op uitkering van appellanten over 1996 herzien met het bedrag van f 16.364,-- en het recht op uitkering van appellanten over 1997 ingetrokken. Tevens is besloten de kosten van de teveel verleende bijstand over 1996 en 1997 tot een bedrag van f 44.846,-- van appellanten terug te vorderen.

Bij besluit van 15 december 2000 heeft gedaagde het namens appellanten tegen het besluit van 24 mei 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het namens appellanten tegen het besluit van 15 december 2000 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven.

Appellanten hebben zich in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd voorzover de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 15 december 2000 met betrekking tot de herziening, de intrekking en de terugvordering in stand zijn gelaten. Appelanten hebben - kort weergegeven - aangevoerd dat aan de berekeningen van het wederrechtelijk verkregen voordeel in 1996 en 1997 een ondeugdelijke schatting van inkomsten ten grondslag ligt en dat met die berekeningen niet te herleiden is dat de inkomsten wederrechtelijk verkregen zijn.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Voor de Raad is op grond van de hiervoor genoemde onderzoeksbevindingen genoegzaam komen vast te staan dat appellant ten tijde in geding feitelijk betrokken is geweest bij mensensmokkel. Voorts blijkt uit die bevindingen dat appellant gedurende die periode ook andere diensten aan derden verleende zoals het regelen van een advocaat, de aanschaf van goederen en het regelen van geldzaken. Naar het oordeel van de Raad zijn deze activiteiten op winstbejag gericht. Gelet op de in dit geding aanwezige gegevens is voorts aannemelijk dat appellant voor deze activiteiten werd betaald.
Appellanten hebben van deze, voor de verlening van bijstand onmiskenbaar van belang zijnde activiteiten en de daarmee verworven inkomsten aan gedaagde geen mededeling gedaan. Daarmee hebben zij de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de Algemene Bijstandswet respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw op hen rustende inlichtingenplicht geschonden. Als gevolg hiervan kan niet worden vastgesteld of, en zo ja, in welke mate appellanten verkeerden in omstandigheden als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de Abw.

Dit betekent dat appellanten met de in geding zijnde herziening van hun recht op bijstand over 1996 niet te kort zijn gedaan en dat het recht van appellanten op bijstand over 1997, wat betreft het tijdvak van 1 juli 1997 tot en met 31 december 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, terecht is ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw om geheel of gedeeltelijk van de intrekking van de uitkering af te zien is de Raad niet gebleken.

De Raad tekent hierbij nog aan dat op grond van artikel 4, tweede lid, onder c, in samenhang met artikel 7, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet de aanspraken op bijstand van appellanten met ingang van 1 februari 1997 dienden te worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Abw.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat met betrekking tot het tijdvak van 1 januari 1996 tot 1 februari 1997 is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW en met betrekking tot het tijdvak van 1 februari 1997 tot en met 31 december 1997 aan de voorwaarden van artikel 81, eerste lid (tekst tot en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten, dient te worden bevestigd.

Hetgeen namens appellanten in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x