Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO8754
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 27-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Procedurele grief. Overschrijding van de beslistermijn in de bezwaarfase.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4159 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. K.D. Regter, advocaat te Lelystad, op bij een beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 20 juni 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. Abw 00/9002, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met het geding tussen [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en gedaagde (reg.nr. 01/5635 NABW), behandeld ter zitting van 17 februari 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. H.B.Chr. Stratman, advocaat te Lelystad, en gedaagde werd vertegenwoordigd door H. Evink, werkzaam bij de gemeente Lelystad.
Na de mondelinge behandeling heeft de Raad beide zaken weer gesplitst en wordt in beide zaken afzonderlijk uitspraak gedaan.
De Raad heeft de termijn voor het doen van een uitspraak met (maximaal) zes weken verlengd.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 1 oktober 1999 heeft gedaagde aan appellant mededeling gedaan van zijn ten aanzien van [betrokkene] genomen besluit om haar uitkering met ingang van 22 september 1997 in te trekken, aangezien zij heeft verzwegen dat zij met appellant vanaf die datum een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 3 van de Algemene bijstandswet (Abw), als gevolg waarvan zij geen recht had op een Abw-uitkering.

Voorts heeft gedaagde bij dat besluit met toepassing van artikel 84, tweede lid, van de Abw de over de periode van 22 september 1997 tot en met 31 juli 1999 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 23.717,46 mede van appellant teruggevorderd.

Het tegen dat besluit namens appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van gedaagde van 16 oktober 2000 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 oktober 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



Procedurele grief

In procedurele zin is namens appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan zijn bezwaar dat gedaagde hem in de bezwaarfase niet de op de zaak betrekking hebbende stukken heeft toegezonden. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van appellant - daarnaar gevraagd - niet kunnen aangeven welke stukken hem in de bezwaarfase zijn onthouden. Nu overigens niet is gebleken dat appellant in bezwaar en beroep geen kennis heeft kunnen nemen van alle op de zaak betrekking hebbende stukken, ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat appellant in dit opzicht in procedurele zin op enigerlei wijze is benadeeld. Deze grief treft derhalve geen doel.



De terugvordering

In artikel 84, tweede lid, van de Abw is bepaald dat, indien de bijstand op grond van artikel 13, tweede lid, van de Abw als gezinsbijstand had moeten worden verleend, maar zulks achterwege is gebleven omdat de belanghebbende de verplichtingen bedoeld in artikel 65, eerste lid, van de Abw niet of niet behoorlijk is nagekomen, de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede worden teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden.

Voor de vaststelling dat, in het onderhavige geval, appellant die persoon is, is vereist dat appellant in de in geding zijnde periode met [betrokkene] een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3 van de Abw heeft gevoerd.

Anders dan namens appellant in hoger beroep is aangevoerd, is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. De Raad verwijst daartoe naar hetgeen daaromtrent is overwogen en beslist in zijn uitspraak van heden in het geding tussen [betrokkene] en gedaagde (reg.nr. 01/5635 NABW), dat als hier herhaald en ingelast moet worden beschouwd.

Hetgeen namens appellant is aangevoerd over de aanvaardbaarheid van de door het Team Bijzonder Onderzoek van de gemeente Lelystad verrichte observaties brengt de Raad niet tot een ander oordeel. In het feit dat de observaties voor een deel van de onderzoeksperiode zonder toestemming van de Officier van Justitie zijn verricht, ziet de Raad onvoldoende reden om deze buiten beschouwing te laten. Dat gedurende een lange periode sprake is geweest van het verrichten van observaties acht de Raad voorts niet in strijd met artikel 5:13 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De observaties kunnen in het onderhavige geval, waarbij het vermoeden bestond van een ernstige fraude met uitkeringsgelden, als redelijkerwijs nodig voor een juiste uitvoering van de Abw worden beschouwd.

Nu, gelet op het voorgaande, voorts vaststaat dat verlening van gezinsbijstand - niettemin - achterwege is gebleven omdat [betrokkene] de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen, is gegeven dat ten aanzien van appellant is voldaan aan de voorwaarden van artikel 84, tweede lid, van de Abw.

Gedaagde was derhalve gehouden het bedrag van de ten onrechte aan [betrokkene] betaalde bijstand mede van appellant terug te vorderen.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.

Ook in zoverre slaagt het beroep niet.



Overschrijding van de beslistermijn in de bezwaarfase

Appellant heeft in het hoger beroepschrift aangevoerd dat de procedure in bezwaar te lang heeft geduurd en dat de rechtbank zijn grief op dat punt op onjuiste wijze heeft weerlegd.

De Raad overweegt hieromtrent het volgende.

De behandeling van het bezwaarschrift heeft ruim een jaar in beslag genomen. Daarmee is de wettelijke termijn voor het nemen van een beslissing op het bezwaar overschreden. Daaraan doet op zichzelf niet af dat appellant de mogelijkheid had om tegen het uitblijven van de beslissing op zijn bezwaar na het verstrijken van de wettelijke beslistermijn bij de rechtbank beroep aan te tekenen. Voor de overschrijding van de beslistermijn is in de gedingstukken voorts geen rechtvaardiging te vinden.
Het gaat hier evenwel om een termijn van orde. Aan de enkele overschrijding van de termijn verbindt de Algemene wet bestuursrecht immers geen consequenties, behoudens de hiervoor genoemde mogelijkheid om tegen het uitblijven van een besluit op bezwaar bij de rechtbank beroep aan te tekenen.

De overschrijding van de beslistermijn brengt hoe dan ook niet met zich dat gedaagde in het onderhavige geval niet langer verplicht kon worden geacht tot (handhaving van de) terugvordering bij appellant van de aan [betrokkene] ten onrechte betaalde bijstand. Namens appellant is ter zitting van de Raad aangegeven dat hij gedurende langere tijd in onzekerheid heeft verkeerd over de afloop van de zaak, maar niet is gesteld - en daarvan is de Raad ook niet gebleken - dat appellant door de overschrijding van de beslistermijn schade heeft geleden. De Raad zal reeds hierom verder volstaan met de constatering dat appellant op zichzelf bezien terecht in beroep heeft geageerd tegen de te trage besluitvorming in de bezwaarfase. De Raad ziet in deze constatering evenwel onvoldoende grondslag voor het oordeel dat de aangevallen uitspraak op dit onderdeel moet worden vernietigd.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten, als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van L. Jörg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 april 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) L. Jörg.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x