Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO9059
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het op nihil stellen van het recht op bijstand vanwege de beschikking over (over)vermogen. Terugvordering van de bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/20 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Alkmaar, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellante heeft op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 25 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/32 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft bij wijze van verweer bij brief van 11 maart 2002 verwezen naar het in beroep ingenomen standpunt.

Desgevraagd heeft gedaagde nog enkele stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 23 maart 2004, waar appellante in persoon is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Blom, werkzaam bij de gemeente Alkmaar.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving sedert 17 oktober 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande in aanvulling op inkomsten uit arbeid.

Op 27 mei 1998 ontving appellante uit de nalatenschap van haar moeder in verband met de verkoop van een woning een bedrag van f 100.000,-- op haar girorekening. Dit gegeven vormde voor gedaagde aanleiding om bij besluit van 14 januari 1999 (hierna: besluit 1) het recht op uitkering van appellante over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 op nihil te stellen. Bij besluit van eveneens 14 januari 1999 (hierna: besluit 2) heeft gedaagde bepaald, onder verwijzing naar artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw en onder aftrek van schulden en het vrij te laten vermogen, een bedrag van f 8.415,04 van appellante terug te vorderen.

De tegen de besluiten 1 en 2 gemaakte bezwaren zijn bij besluit van 16 november 1999 ongegrond verklaard. Daarbij heeft gedaagde geen rekening gehouden met de vrijlating welke geldt bij het vestigen van een krediethypotheek en heeft hij de waarde van de woning bepaald op de waarde in het economisch verkeer op het moment dat appellante kon beschikken over de uit de verkoop van de woning beschikbare middelen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 16 november 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep heeft appellante zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw worden kosten van bijstand van de belanghebbende teruggevorderd voorzover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.

Aan dit artikel ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, moeten worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand wordt teruggevorderd, hangt samen met het complementaire karakter van de Abw.

Of het bijstandverlenend orgaan op basis van dit artikel dient over te gaan tot terugvordering hangt af van de vraag of de ontvangen middelen betrekking hebben op een periode waarover eerder bijstand is verleend en of de ontvangen middelen, teruggerekend naar het tijdstip waarop de aanspraken op die middelen ontstonden, tezamen met de toen aanwezige (overige) vermogensbestanddelen en met inachtneming van de toen geldende vrijlatingsgrens, de vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw overschrijden. Anders dan gedaagde meent betekent dit niet, zoals de rechtbank kennelijk ook van oordeel is, dat door gedaagde over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 onverschuldigd bijstand aan appellante is betaald. Er is immers wel degelijk terecht, wegens een (tijdelijk) gebrek aan middelen, bijstand verleend, die later na het ter beschikking komen van middelen vanaf het moment van het ontstaan van de aanspraak daarop wordt teruggevorderd. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen, is in een dergelijk geval geen plaats voor een voorafgaand herzienings- of intrekkingsbesluit (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 22 mei 2001, nr. 98/8401, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/193). In zoverre slaagt het hoger beroep en dient het besluit van 16 november 1999, voorzover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, te worden vernietigd, alsmede in zoverre de aangevallen uitspraak.

Met betrekking tot besluit 2 overweegt de Raad dat onbetwist vaststaat dat appellante aanspraak had op haar erfdeel vanaf de datum van het overlijden van haar moeder, te weten 10 oktober 1996. Vaststaat verder dat appellante op 27 mei 1998 de beschikking heeft gekregen over een bedrag van f 100.000,--, zodat er vanaf dat moment sprake is van in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw. Deze middelen dienen als vermogen te worden beschouwd, zodat rekening dient te worden gehouden met hetgeen in paragraaf 3 van hoofdstuk IV van de Abw omtrent in aanmerking te nemen vermogen is bepaald.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandsuitkering beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezig schulden.

Gedaagde heeft het vermogen vastgesteld op f 73.625,98, zijnde het bedrag van f 100.000,- minus een bedrag van f 26.374,02 aan onbetwiste schulden, waardoor het vermogen het ten tijde van de aanvang van de bijstand voor appellante geldende vrij te laten vermogen van f 9.300,-- aanzienlijk te boven gaat.

Appellante heeft gesteld dat gedaagde ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de vrijlating welke geldt bij het vestigen van een krediethypotheek als bedoeld in artikel 20 van de Abw. In verband daarmee overweegt de Raad als volgt. De Raad stelt voorop dat dit artikel is geplaatst is Hoofdstuk III van de Abw, regelende de vorm van de bijstand. Dit artikel biedt gelet op het eerste lid burgemeester en wethouders de mogelijkheid om aan de belanghebbende die een eigen woning bezit, die hijzelf bewoont, bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek indien tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring van het onroerend goed in redelijkheid niet kan worden gevraagd. De overige leden van dit artikel alsmede het op het zevende lid gebaseerde Besluit krediethypotheek bijstand bevatten een verdere uitwerking. In het onderhavige geding is niet tot het vestigen van krediethypotheek overgegaan, zodat hetgeen bij of krachtens artikel 20 van de Abw is bepaald in dit geding niet aan de orde kan komen.
Voorts heeft appellante aangevoerd dat de waarde van de woning dient te worden bepaald op het moment van de aanvang van de bijstandsuitkering, en wel aan de hand van de op dat moment vastgestelde WOZ-waarde. Dit standpunt wordt door de Raad niet gedeeld. Uit artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw volgt dat bij de bepaling van de omvang van de in aanmerking te nemen middelen uitgangspunt dient te zijn de waarde op het moment waarop appellante over die middelen kan beschikken, zijnde in casu 27 mei 1998. Ingevolge artikel 53, eerste lid, van de Abw wordt de waarde van de bezittingen vastgesteld op de waarde in het economisch verkeer.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw gehouden was de kosten van de over de periode van 17 oktober 1996 tot 1 oktober 1997 aan appellante verstrekte bijstand tot een bedrag van f 8.415,04 van haar terug te vorderen.

De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op 23,16 in hoger beroep, voor gemaakte reiskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep tegen het besluit van 16 november 1999, voorzover daarbij besluit 1 is gehandhaafd, ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 16 november 1999 in zoverre gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag groot 23,16 te betalen door de gemeente Alkmaar;
Bepaalt dat de gemeente Alkmaar aan appellante het betaalde griffierecht van in totaal 109,23 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th. C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x