Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO9289
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-04-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/5973 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. C. de Wolf, advocaat te Amsterdam, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Amsterdam op 9 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad beantwoord.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. De Wolf, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. drs. J.M. Boegborn, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. MOTIVERING


Appellant ontving sedert 1 maart 1995 een uitkering ingevolge de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (RWW) naar de norm voor gehuwden. Met ingang van 6 december 1996 is deze uitkering omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar dezelfde norm.
Naar aanleiding van een anonieme tip heeft de afdeling Sociale Recherche van de Sociale Dienst Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de uitkering van appellant, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 29 augustus 1996. Uit dat onderzoek, waarin drie marktmeesters aan de hand van registers een verklaring hebben afgelegd over de aanwezigheid van appellant op de markt en waarin ook appellant is gehoord, is naar voren gekomen dat appellant vanaf 6 april 1995 als venter ingeschreven stond op drie markten en dat hij in de periode van maart 1995 tot augustus 1996 regelmatig op twee markten heeft gestaan als zelfstandig verkoper van kleding onder de naam T&T Fashion.

Bij besluit van 14 oktober 1997 heeft gedaagde het recht op uitkering van appellant en zijn echtgenote [naam echtgenote] over de periode van 1 april 1995 tot en met 30 juni 1996 herzien (lees: ingetrokken) en de kosten van de over deze periode verleende bijstand tot een bedrag van f 36.373,52 bruto van hen teruggevorderd. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant gedurende de periode van 1 april 1995 tot en met 30 juni 1996 werkzaam was als marktkoopman en dat hij heeft verzuimd de Sociale Dienst hierover in te lichten.

Bij besluit van 8 mei 1998 is het namens appellant en [naam ex-echtgenote] tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 8 mei 1998 bij uitspraak van 14 november 2000 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en gedaagde opgedragen opnieuw op het bezwaarschrift te beslissen. Zij was van oordeel dat gedaagde in de in bezwaar overgelegde jaarrekeningen aanleiding had moeten zien om een nader onderzoek in te stellen.

Naar aanleiding van deze uitspraak heeft gedaagde appellant verzocht relevante boekhoudkundige gegevens over te leggen, waaronder gegevens over de omvang van de voorraden bij aanvang van de bedrijfsactiviteiten, de ontwikkelingen bij de voorraadvorming, de winstmarge en de omzet. Appellant heeft deze gegevens niet overgelegd, omdat zijn boekhouder deze niet wenste te verstrekken. Op 27 februari 2001 heeft appellant wel een aantal stukken overgelegd, waaronder een grootboekhouding en kwitanties van de kosten van de huur van marktkramen en het gebruik van marktplaatsen.
Bij besluit van 16 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 14 oktober 1997 gehandhaafd voorzover dat ziet op de terugvordering van bijstand. Daartoe is onder meer overwogen dat wegens het ontbreken van voldoende gegevens geen objectief controleerbaar beeld meer is te vormen van de inkomsten van appellant uit zijn activiteiten.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met een bepaling omtrent griffierecht het beroep dat namens appellant tegen het besluit van 16 maart 2001 is ingesteld gegrond verklaard, dit besluit wegens een onjuiste wettelijke grondslag vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Appellant kan zich niet met de aangevallen uitspraak verenigen, voorzover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 2001 in stand zijn gelaten.

De Raad stelt eerst vast dat het besluit van 16 maart 2001, in weerwil van de adressering van dat besluit en evenals het eerste besluit op bezwaar van 8 mei 1998, betrekking heeft op zowel appellant als [naam ex-echtgenote], mede in aanmerking genomen dat daarbij het primaire besluit van 14 oktober 1997 is gehandhaafd, welk besluit aan beide echtgenoten als belanghebbenden ter zake van de hun verleende gezinsbijstand was gericht.

Door appellant is erkend en ook door de Raad is vastgesteld dat appellant in de in geding zijnde periode van 1 april 1995 tot en met 30 juni 1996 als marktkoopman ingeschreven heeft gestaan en heeft gewerkt zonder hiervan en van de daaruit verworven inkomsten aan gedaagde op de voorgeschreven wijze opgave te hebben gedaan.
Aangezien het hier gaat om voor de (voortzetting van de) bijstandsverlening relevante gegevens heeft appellant de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid (oud), van de Abw op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Hiermee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW respectievelijk artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw. In hetgeen namens appellant is aangevoerd ziet de Raad geen dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. Dringende redenen kunnen zijn gelegen in onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen van de terugvordering voor appellant. Hiervan is naar het oordeel van de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de hoogte van de terugvordering overweegt de Raad het volgende.

Gelet op het feit dat appellant een eigen bedrijf in kleding met alle daaraan verbonden organisatorische werkzaamheden voerde alsmede op de frequentie waarmee hij vanaf april 1995 op markten heeft gestaan, was hij naar het oordeel van de Raad met ingang van 1 april 1995 niet meer in hoofdzaak aangewezen op arbeid in loondienst, zodat hij niet langer als een werkloze werknemer in de zin van de RWW kon worden aangemerkt. Reeds hierom had appellant vanaf die datum geen recht meer op (aanvullende) bijstand ingevolge die regeling. Gedaagde was dan ook gerechtigd de over de periode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1995 verleende bijstand volledig terug te vorderen.

In het voorgaande ligt tevens besloten dat de aanspraken van appellant op bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot en met 30 juni 1996 dienden te worden beoordeeld aan de hand van de Abw. Met betrekking tot dit tijdvak is gedaagde gezien de schending van de inlichtingenplicht gerechtigd de kosten van de te veel verleende bijstand volledig terug te vorderen, tenzij appellant aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk maakt dat hij, indien hij de inlichtingenverplichting destijds wel was nagekomen en zijn activiteiten als markthandelaar en de daaruit genoten inkomsten had opgegeven, aanspraak op (aanvullende) bijstand zou hebben gemaakt.

Naar het oordeel van de Raad is appellant daarin wat betreft de perioden van 1 januari 1996 tot 1 februari 1996 en van 1 april 1996 tot en met 30 juni 1996 niet geslaagd. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij uit zijn markthandel nauwelijks inkomsten heeft genoten heeft appellant verwezen naar de door hem opgestelde jaarcijfers, welke over 1995 en 1996 slechts een zeer geringe winst laten zien. Naar het oordeel van de Raad leveren de administratieve bescheiden die door appellant zijn overgelegd echter onvoldoende concrete en controleerbare gegevens op over de verdiensten van appellant uit zijn markthandel om zijn recht op uitkering te kunnen vaststellen.

Met betrekking tot de maanden februari en maart 1996 stelt de Raad vast dat appellant al in bezwaar heeft gesteld dat hij in die maanden niet heeft gewerkt. Daartoe heeft hij verklaringen overgelegd van de (hoofd)marktmeesters, inhoudende dat appellant toen geen gebruik heeft gemaakt van een standplaats op de markt. Gelet op de over deze maanden beschikbare gegevens is naar het oordeel van de Raad in onvoldoende mate komen vast te staan dat appellant ook in de maanden februari en maart 1996 als marktkoopman werkzaam is geweest. Nu niet is gebleken dat appellant op andere gronden over die maanden geen recht op bijstand toekwam, is de bijstand over de maanden februari en maart 1996 ten onrechte van appellant teruggevorderd.

Aangezien een terugvorderingsbesluit als één geheel moet worden beschouwd, nu dit uitmondt in één - daarin te vermelden - bedrag aan teruggevorderde bijstand en dit besluit een executoriale titel oplevert, kunnen de rechtsgevolgen van het besluit van 16 maart 2001 niet ten dele in stand worden gelaten. Gedaagde zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

De aangevallen uitspraak komt daarom voorzover aangevochten voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze worden begroot op € 644,--, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,--, te betalen door de gemeente Amsterdam aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente Amsterdam aan appellant het betaalde griffierecht van € 77,14 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2004.

(get.) R.M. van Male.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x