Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                 

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AO9478
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 04-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is in het onderhavige geval sprake van een gezamenlijke huishouding en is de aanvraag voor bijzondere bijstand terecht afgewezen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 01/5003 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Tiel, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.J. Blom, advocaat te Spijkenisse, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Arnhem op 4 september 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, geregistreerd onder nummer 00/898 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 23 maart 2004, waar appellante niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. D.J. Stoffer, werkzaam bij de gemeente Tiel.




II. MOTIVERING


Aan appellante is met ingang van 1 december 1992 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Nadat uit een onderzoek door het Intergemeentelijk Orgaan Rivierenland was gebleken dat appellante vanaf 1 december 1992 een gezamenlijke huishouding had gevoerd met [naam partner] (hierna: [naam partner]), waarvan zij gedaagde geen mededeling had gedaan, heeft gedaagde bij onderscheidene besluiten
∑ -. de uitkering ingevolge de Algemene bijstandwet (Abw) van appellante met ingang van 1 januari 2000 beŽindigd,
∑ -. de uitkering over de periode van 1 december 1992 tot en met 31 december 1999 herzien (lees: ingetrokken),
∑ -. de uitkering over de periode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1999 ten bedrage van f 111.455,30 teruggevorderd,
∑ -. een aanvraag van 25 oktober 1999 om bijzondere bijstand voor schulden afgewezen.

De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft gedaagde bij besluit van 8 mei 2000 (verder: bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met een bepaling inzake griffierecht - het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 mei 2000 voor zover het betrekking heeft op de herziening (lees: intrekking) en de terugvordering vernietigd omdat dat besluit in zoverre op een onjuiste wettelijke grondslag dan wel op een onjuiste wetstoepassing berust, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van dit besluit in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

In hoger beroep is de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden. Daarbij heeft appellante volhard in haar standpunt dat er geen sprake is van een duurzame gezamenlijke huishouding omdat zij slechts op zeer bescheiden schaal voorzieningen heeft gedeeld met [naam partner]. Voorts blijft appellante bij haar stelling dat ten onrechte haar aanvraag voor bijzondere bijstand is afgewezen, aangezien de afwijzing van de schuldsanering door de kredietbank een dringende reden in de zin van artikel 15, tweede lid, onder b, van de Abw vormt.

De Raad stelt, met de rechtbank, vast dat voor de periode tot 1 juli 1997 het bestreden besluit ten onrechte is gebaseerd op de bepalingen van de Abw zoals deze luiden sedert 1 juli 1997. Anders dan de rechtbank is de Raad echter van oordeel dat de bepalingen van de Algemene Bijstandswet (ABW) van toepassing zijn tot 1 januari 1996, nu appellante, gelet op het navolgende, achteraf bezien geen recht had op een bijstandsuitkering en in verband daarmee geen persoon was als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting ABW.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of in het geval van appellante en [naam partner] sprake is van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de ABW in het tijdvak van 1 december 1992 tot 1 januari 1996, en als bedoeld in artikel 3 van de Abw in het tijdvak tot 1 januari 2000.

Ingevolge artikel 5a, tweede lid, van de ABW is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Abw (na 1 januari 1998 derde lid) is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het eerste criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van het gezamenlijk voorzien in huisvesting. De feitelijke vaststelling dat de betrokken personen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning is volgens vaste rechtspraak van de Raad voldoende om aan te nemen dat gezamenlijk wordt voorzien in huisvesting. Dat laatste blijkt ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad (zie bijvoorbeeld het arrest van 22 december 1995, gepubliceerd in NJ 1996, nr. 331).

In het geval van appellante en [naam partner] is naar het oordeel van de Raad buiten kijf dat zij aan dat criterium voldoen, nu zij hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, te weten sedert in elk geval 1 december 1992 in de woning van appellante aan de [adres] te [woonplaats].
Hiertoe heeft de Raad doorslaggevende betekenis toegekend aan de op 6 januari 2000 door appellante en [naam partner] tegenover de sociaal rechercheurs afgelegde verklaringen, die zij hebben ondertekend. Uit die verklaringen komt eenduidig naar voren dat [naam partner] ten tijde hier van belang bij appellante heeft gewoond. [naam partner] zou weliswaar in 1999 gedurende een paar maanden een woning in Vriezenveen hebben gehuurd, maar daar heeft hij naar eigen zeggen nimmer gewoond.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan is dat van wederzijdse verzorging. Die kan blijken uit een bepaalde mate van financiŽle verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van woonlasten en hiermee samenhangende vaste lasten. Indien van een zodanige financiŽle verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in elkaars verzorging voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal dan ook bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het verzorgingscriterium in een concreet geval is voldaan.

Naar het oordeel van de Raad laten de eerdergenoemde verklaringen van appellante en [naam partner] een zodanig duidelijk beeld zien van financiŽle verstrengeling en zorg voor elkaar dat hij voldoende aannemelijk acht dat ten tijde in geding tevens aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan.
Uit deze verklaringen blijkt evident dat geenszins sprake is geweest van het slechts op bescheiden schaal delen van voorzieningen, zoals appellante heeft doen stellen.

Uit het vorenstaande volgt dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [naam partner] in de periode van 1 december 1992 tot 1 januari 2000 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 5a, tweede lid, van de ABW en artikel 3 van de Abw.

Door van deze gezamenlijke huishouding bij gedaagde geen melding te maken heeft appellante de op haar rustende inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden.

Voorts heeft gedaagde op goede gronden aangenomen dat [naam partner] beschikte over een inkomen dat tenminste gelijk is aan de bijstandsnorm voor gehuwden, althans niet gesteld of gebleken is dat indien appellante haar inlichtingenplicht wel naar behoren was nagekomen zij recht zou hebben gehad op een aanvullende bijstandsuitkering. Gedaagde heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat appellante niet verkeerde in bijstandsbehoevende omstandigheden. Gedaagde heeft terecht het recht op bijstand per 1 januari 2000 beŽindigd. Op grond van het vorenstaande was gedaagde tevens gerechtigd, en vanaf 1 juli 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden, om over de periode van 1 december 1992 tot en met 31 december 1999 tot intrekking van het recht op bijstand van appellante over te gaan. Met betrekking tot de periode vanaf 1 juli 1997 is de Raad niet gebleken van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien.

Met hetgeen hiervoor is overwogen is gegeven dat wat de terugvordering betreft tevens is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW (tot 1 januari 1996) en (daarna) van artikel 81, eerste lid, van de Abw (tekst vůůr en na 1 juli 1997). Gedaagde was derhalve gehouden over te gaan tot terugvordering van appellante van de, met inachtneming van een verjaringstermijn van vijf jaar, over de periode van 1 april 1995 tot 1 januari 2000 ten onrechte betaalde kosten van bijstand.

De Raad ziet in de omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW en artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat aan gedaagde niet de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Ten aanzien van de vraag of gedaagde terecht de aanvraag van appellante voor bijzondere bijstand heeft afgewezen overweegt de Raad als volgt.

De Raad is van oordeel dat de aanvraag van appellante van 25 oktober 1999 is aan te merken als een verzoek om bijstand ter betaling van schulden.
Gezien al het voorgaande is de Raad met gedaagde van oordeel dat appellante bij het ontstaan van de schuldenlast dan wel nadien tenminste beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien zodat artikel 15, eerste lid, van de Abw aan bijstandsverlening in de weg staat.
Voorts heeft gedaagde zich terecht op het standpunt gesteld dat de afwijzing van een saneringskrediet door de Kredietbank geen dringende reden vormt in de zin van artikel 15, tweede lid, onder b, van de Abw. Volgens vaste jurisprudentie en ook blijkens de wetsgeschiedenis kan het bestaan van een grote schuldenlast in beginsel niet worden aangemerkt als een zeer dringende reden. Ook overigens is de Raad uit hetgeen appellante heeft aangevoerd niet gebleken van zeer dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid zou toekomen om, in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de Abw bijzondere bijstand te verlenen. De Raad heeft daarbij tevens in aanmerking genomen dat de zogeheten beslagvrije voet, bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, als regel voldoende waarborgt dat de betrokkene in de noodzakelijke bestaanskosten kan blijven voorzien.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Beslist wordt als volgt.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2004.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x