Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP0299
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 18-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Onvoldoende onderzoek naar de feitelijke situatie. Is betrokkene aan te merken als zelfstandige? Inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Daadwerkelijke beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/2810 NABW




U I T S P R A A K




[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gevolg van een gemeenschappelijke regeling treedt in dit geding het Dagelijks Bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Bestuurscommissie Sociale Voorzieningen respectievelijk het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Waalwijk.

Appellant heeft op bij het beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Breda op 5 april 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/754 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 6 april 2004, waar appellant - met bericht - niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. F.J.A. Hustin, werkzaam bij de Intergemeentelijke Sociale Dienst Midden-Langstraat.




II. MOTIVERING


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant ontvangt sedert 1 februari 1998 algemene bijstand ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande. Daarnaast staat appellant vanaf 6 oktober 1994 ingeschreven bij de Kamer van Koophandel Midden-Brabant ([naam bedrijf]). Bij brieven van 16 februari 1999 en 22 oktober 1999 is appellant toestemming verleend zijn activiteiten als zelfstandige voort te zetten. Daarbij is aangegeven dat appellant uiterlijk per 1 februari 2000 een definitieve keuze dient te maken voor de status van zelfstandige dan wel voor die van werkloze werknemer.

Bij besluit van 23 januari 2001 is de uitkering ongewijzigd voortgezet. Daarbij is onder meer het volgende overwogen:

" Wij leggen u daarnaast de extra verplichting op om:
- de Dienst Sociale Zaken zo volledig mogelijk in te lichten over uw inkomsten en uitgaven als zelfstandige en;
- uiterlijk 6 maanden na afloop van het boekjaar uw administratie inzake het afgelopen boekjaar aan de Dienst Sociale Zaken te overleggen.
- U dient de definitieve aanslag over 1999 van de Belastingdienst in te leveren zodra u deze ontvangen heeft.

Voor u is een GGD-advies aangevraagd ter vaststelling van uw belemmeringen richting arbeidsmarkt. Wij wijzen u er met nadruk op dat u verplicht bent uw medewerking te verlenen aan dit onderzoek (zie sub e). Van de overige arbeidsvoorwaarden bent u in afwachting van eerder genoemd GGD-advies vrijgesteld.

Ten slotte verlenen wij aan u tot 1 februari 2001 toestemming om uw eenmansbedrijf naast de uitkering te drijven. Zoals reeds mondeling aan u is medegedeeld door de consulent van onze dienst ligt verdere verlening van deze toestemming niet meer binnen de wettelijke mogelijkheden. Indien u na 1 februari 2001 nog bijstandsafhankelijk bent, zal u de verplichting worden opgelegd om uw werkzaamheden als zelfstandige te staken en uw bedrijf bij de Kamer van Koophandel uit te schrijven. Weigering kan gevolgen hebben voor uw bijstandsuitkering."

Bij besluit van 22 maart 2001 heeft gedaagde het tegen het besluit van 23 januari 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit heeft gedaagde onder meer het volgende ten grondslag gelegd.

"U drijft een eenmanszaak welke tevens ingeschreven staat bij de Kamer van Koophandel. Uit dit bedrijf heeft u wisselende inkomsten. Deze inkomsten zijn in het verleden niet gekort op uw uitkering.

Met u is eerder de afspraak gemaakt dat u tot 1 februari 2001 de tijd heeft om u middels uw activiteiten als zelfstandige bijstandsonafhankelijk te maken. Zo dit niet is gelukt wordt de toestemming tot het drijven van een zelfstandig bedrijf in combinatie met een bijstandsuitkering ingetrokken en dient u aan de arbeidsverplichting te voldoen.

U dreef bij de bijstandsaanvraag een autohandel. Eťn en ander was te beperkt om voor een Bbz-uitkering in aanmerking te komen. Vervolgens is aan u toestemming verleend om het bedrijf naast de uitkering te blijven drijven.

Het vorenstaande kan tot geen andere conclusie leiden dan dat de termijn van voortzetting van uw bedrijf naast een lopende uitkering op grond van art. 8 lid 1 Abw per 1 februari 2001 is verlopen."

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 22 maart 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

"Nu eiser na een periode van 36 maanden niet in staat is gebleken zijn bedrijf levensvatbaar te maken en hij per 1 februari 2001 een bijstandsuitkering wenst te blijven ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij zijn bedrijfsactiviteiten per die datum dient te beŽindigen. Dat verweerder tevens aan eiser de voorwaarde heeft gesteld dat hij zich per genoemde datum uitschrijft bij de Kamer van Koophandel komt de rechtbank niet onredelijk voor. Het handhaven van de inschrijving zou eiser immers de mogelijkheid bieden om zijn bedrijfsactiviteiten geheel of gedeeltelijk te continueren. Weliswaar ziet de rechtbank in dat de inschrijving voor eiser belangrijk is in de zin dat hij het ziet als een drijfveer om snel terug te kunnen keren in de maatschappij, maar dit gegeven leidt haar niet tot een ander oordeel."

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de uitspraak van de rechtbank gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Abw wordt onder zelfstandige verstaan de belanghebbende van 18 tot 65 jaar, die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep hier te lande en die:
- voldoet aan de wettelijke vereisten voor de uitoefening daarvan;
- voldoet aan het urencriterium bedoeld in artikel 3.6 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001; en
- alleen of samen met degenen met wie hij het bedrijf of zelfstandig beroep uitoefent de volledige zeggenschap in dat bedrijf of zelfstandig beroep heeft en de financiŽle risico's daarvan draagt.

Artikel 8, eerste lid, van de Abw bepaalt dat aan de zelfstandige die gedurende een redelijke termijn als zodanig werkzaam is geweest en wiens bedrijf of zelfstandig beroep levensvatbaar is, gedurende ten hoogste 12 maanden algemene bijstand wordt verleend. Verlenging van deze termijn met ten hoogste 24 maanden is mogelijk indien de oorzaak van de behoefte aan bijstand is gelegen in externe omstandigheden van tijdelijke aard.

Staat vast dat iemand aan de in artikel 5, eerste lid, van de Abw vermelde criteria voldoet dan brengt dit mee dat de betrokkene slechts in de hoedanigheid van zelfstandige en met toepassing van artikel 8 van de Abw eventueel aanspraak kan maken op bijstand. Dit impliceert tevens dat de betreffende persoon anderszins geen recht heeft op algemene bijstand ingevolge de Abw.

De Raad stelt vast dat gedaagde er blijkens het bestreden besluit zonder meer, dat wil zeggen, zonder toetsing van de situatie van appellant aan deze bepalingen, van is uitgegaan dat appellant ten tijde in geding als zelfstandige in de zin van artikel 5, eerste lid, van de Abw was aan te merken en dat hem onder toepassing van artikel 8, eerste lid, van de Abw algemene bijstand is verstrekt. Naar het oordeel van de Raad kan deze zienswijze, gelet op het samenstel van even vermelde bepalingen, niet worden gevolgd. Het enkele feit dat appellant als eenmanszaak bij de Kamer van Koophandel is ingeschreven en voor het overige niet is gebleken dat hij voldoet aan (in ieder geval) het urencriterium van artikel 5, eerste lid, van de Abw, brengt niet mee dat appellant als een zelfstandige in de zin van artikel 5 van de Abw moet worden aangemerkt. Het besluit van 22 maart 2001 komt om die reden wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking. Hetzelfde geldt voor de aangevallen uitspraak waarbij dat besluit onverkort in stand is gelaten.

De Raad merkt voorts nog het volgende op.

Indien en voorzover aan iemand algemene bijstand is toegekend, kunnen hem ingevolge artikel 106 van de Abw naast de verplichtingen die ingevolge hoofdstuk VIII in elk geval aan de bijstand verbonden zijn, dan wel daaraan door burgemeester en wethouders verbonden dienen te worden, verplichtingen worden opgelegd die strekken tot inschakeling in arbeid in dienstbetrekking of in eigen bedrijf of zelfstandig beroep, dan wel die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beŽindiging.

Worden die verplichtingen niet of niet behoorlijk nagekomen dan dient het bijstandverlenend orgaan ingevolge artikel 14 van de Abw een maatregel op te leggen.

De Raad wijst er in dat verband nog op dat de enkele inschrijving bij de Kamer van Koophandel op zichzelf niet aan algemene bijstandsverlening in de weg behoeft te staan. Slechts indien een dergelijke inschrijving een serieus beletsel vormt of blijkt te vormen bij de daadwerkelijke beschikbaarstelling voor de arbeidsmarkt kan een nadere verplichting tot uitschrijving bij de Kamer van Koophandel zijn aangewezen.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak en het besluit van 22 maart 2001 voor vernietiging in aanmerking komen voorzover er daarbij van is uitgegaan dat appellant ten tijde in geding zelfstandige in de zin van de Abw was. In het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om, naast de vernietiging van het besluit van 22 maart 2001, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het besluit van 23 januari 2001 eveneens te vernietigen, behoudens voorzover daarbij is bepaald dat de bijstandsverlening wordt voortgezet, appellant de verplichting is opgelegd mee te werken aan een medisch onderzoek door de GGD en hij in afwachting van de onderzoeksbevindingen van de overige arbeidsverplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw is vrijgesteld.

De Raad ziet geen aanleiding om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant nu niet is gebleken van kosten die op grond van artikel 8:75 van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 22 maart 2001;
Vernietigt het besluit van 23 januari 2001, behoudens voorzover daarbij de bijstand wordt voortgezet, appellant verplicht wordt medewerking te verlenen aan een medisch onderzoek door de GGD en appellant hangende dat onderzoek van de arbeidsverplichtingen wordt vrijgesteld;
Bepaalt dat de Intergemeentelijke Sociale Dienst van Midden-Langstraat aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal Ä 104,37 (f 230,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W van Rooijen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) C.H.T.W. van Rooijen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x