Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP0572
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 25-05-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene is de inlichtingenverplichting betreffende de woon- en leefsituatie niet naar behoren nagekomen, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. De bijstand is terecht beŽindigd.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/500 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Gravenhage op 6 december 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 01/00083 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 13 april 2004, waar appellant, zoals tevoren bericht, niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 13 maart 2000 heeft gedaagde de aan appellant verstrekte uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), welke was berekend naar de norm voor een alleenstaande, met ingang van 1 februari 2000 beŽindigd.
Bij besluit van 20 december 2000 heeft gedaagde de namens appellant tegen het besluit van 13 maart 2000 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Namens appellant is tegen het besluit van 20 december 2000 beroep ingesteld. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het standpunt van gedaagde geheel onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.

Namens appellant is genoemde uitspraak in hoger beroep bestreden.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten tijde hier van belang woonachtig was op het door hem opgegeven adres, [adres] te [woonplaats].
Appellant zou daar al vanaf oktober 1998 een kamer hebben gehuurd van een zekere [hoofdverhuurder] (hierna: [hoofdverhuurder]), hoofdhuurder van die woning.
Tijdens een namens gedaagde afgelegd huisbezoek op 29 februari 2000, naar aanleiding van een aanvraag van appellant om bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting, is echter gebleken dat de kamer die appellant van [hoofdverhuurder] zou huren nauwelijks gemeubileerd was en dat zich daar niet of nauwelijks enige persoonlijke spullen van appellant bevonden. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat die kamer door appellant toen daadwerkelijk werd bewoond.
De door appellant en [hoofdverhuurder] afgelegde verklaringen omtrent de woon- en leefsituatie van appellant zijn ook niet geheel met elkaar in overeenstemming. De latere verklaringen die appellant en [hoofdverhuurder] dienaangaande hebben afgelegd wijken weer af van hun eerdere verklaringen, waaronder de door [hoofdverhuurder] op 22 februari 2000 ondertekende eigenaarsverklaring/verhuurdersverklaring.

Uit het vorenstaande volgt dat appellant ten tijde hier van belang en ook nadien onvoldoende opheldering heeft verschaft omtrent zijn voor de beoordeling van het recht op bijstand van essentieel belang zijnde woon- en leefsituatie.
Mitsdien is appellant de in artikel 65, eerste lid, van de Abw vervatte inlichtingenverplichting niet naar behoren nagekomen. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand van appellant niet worden vastgesteld, zodat gedaagde de uitkering terecht met ingang van 1 februari 2000 heeft beŽindigd.

Ook hetgeen namens appellant in hoger beroep naar voren is gebracht heeft de Raad niet tot het oordeel kunnen leiden dat de aangevallen uitspraak voor onjuist moet worden gehouden.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 25 mei 2004.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) P.C. de Wit.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x