Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP1505
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 08-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit handelsactiviteiten en wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/4918 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. J.P.M. Mol, advocaat te Son en Breugel, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 17 juli 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/3848 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 april 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Mol, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door drs. R.A.J. Wilbers, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. MOTIVERING


Appellant ontving vanaf 27 april 1992 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een heronderzoek waaruit onder andere bleek dat appellant diverse voertuigen op zijn naam had staan, heeft de sociale recherche regio Helmond een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan hem verstrekte bijstandsuitkering. In dat kader is onder andere dossieronderzoek verricht, zijn [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en appellants moeder [moeder] (hierna: [moeder]) gehoord en is informatie ingewonnen bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer en bij dagblad De Telegraaf. De resultaten van het onderzoek zijn vervolgens neergelegd in een rapport van 3 november 1999.

Gedaagde heeft hierin aanleiding gevonden om bij besluit van 23 november 1999 het recht op bijstand over de periode van 1 oktober 1994 tot en met 12 september 1999 te herzien (lees: in te trekken) en de over de periode van 1 december 1994 tot en met 30 september 1999 gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 103.574,17 van appellant terug te vorderen.

Bij besluit van 20 april 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 23 november 1999 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat:
- de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 3 december 1994 tot 1 januari 1997 tot een bedrag van f 46.109,84 van appellant dienen te worden teruggevorderd op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de Algemene Bijstandswet (ABW) onder andere wegens het verzwijgen van inkomsten uit handelsactiviteiten en het voeren van een gezamenlijke huishouding per 1 juli 1996;
- de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 januari 1997 tot 1 juli 1997 tot een bedrag van f 11.182,17 van appellant dienen te worden teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw onder andere wegens het verzwijgen van inkomsten uit handelsactiviteiten en het voeren van een gezamenlijke huishouding;
- het recht op bijstand over de periode van 1 juli 1997 tot en met 12 september 1999 dient te worden herzien (lees: ingetrokken) en de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 49.895,35 van appellant dienen te worden teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid (nieuw), van de Abw onder andere wegens het verzwijgen van inkomsten uit handelsactiviteiten en het voeren van een gezamenlijke huishouding.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 20 april 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt als volgt.

Op grond van bovenvermelde onderzoeksbevindingen is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat appellant over het tijdvak van 1 oktober 1994 tot en met 12 september 1999 zich heeft bezig gehouden met de handel in en de keuring van voertuigen. Evenals de rechtbank acht de Raad daarbij met name van belang de door [betrokkene] en [moeder] tegenover de sociale recherche op 14 september 1999 en 21 september 1999 afgelegde verklaringen. De Raad ziet evenmin als de rechtbank reden om die verklaringen voor onjuist te houden of anderszins buiten beschouwing te laten. Weliswaar is aangevoerd dat desbetreffende verklaringen onder onaanvaardbare druk tot stand zijn gekomen, maar de gedingstukken, waaronder de verklaringen van [betrokkene] en [moeder] van 1 april 2000 en 2 mei 2000, waarbij zij op de door hun eerder afgelegde verklaringen terugkomen, bieden daarvoor onvoldoende aanknopingspunten. Verder acht de Raad in dit verband van belang dat appellant ten tijde in geding verscheidene voertuigen op zijn naam had staan, alsmede dat appellant blijkens de advertentiegegevens van het dagblad De Telegraaf over de jaren 1994 tot en met 1998 structureel advertenties plaatste in verband met de verkoop van voertuigen. Op basis van genoemde gegevens, bezien in onderlinge samenhang, concludeert de Raad dat de door appellant verrichte werkzaamheden, gelet op de aard en de omvang, in ieder geval vanaf het moment dat appellant advertenties ging plaatsen, het karakter van het uitoefenen van een hobby en het verrichten van een vriendendienst te boven gaan en aangemerkt moeten worden als het verrichten van productieve arbeid, die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. De verklaring welke appellant voor die advertenties heeft gegeven doen aan die conclusie niet af, reeds niet omdat daarmee het structurele karakter daarvan niet wordt weerlegd.

De Raad is evenals de rechtbank voorts van oordeel dat op grond van de bevindingen van het onderzoek van de sociale recherche genoegzaam is komen vast te staan dat appellant en [betrokkene] vanaf 1 juli 1996 een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 5a, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 3, derde lid (tot 1 januari 1998: tweede lid) van de Abw. Ook hier heeft de Raad van doorslaggevende betekenis geacht de door [betrokkene] en [moeder] tegenover de sociale recherche afgelegde en door hen ondertekende verklaringen.

Uit die verklaringen blijkt dat [betrokkene] vanaf juli 1996 hoofdzakelijk op het adres van appellant verbleef. De verklaring van [broer], de broer van appellant, van 15 oktober 1999, dat [betrokkene] vanaf 1 september 1999 enkele dagen per week bij hem in de woning blijft en daar ook blijft slapen doen aan het vorenstaande niet af. Verder betaalde appellant de huur en de energiekosten van de woning, en betaalde [betrokkene] de boodschappen en de kosten voor de telefoon. Verder deed [betrokkene] huishoudelijk werk in de woning van appellant, deed ook de was en kookte.

Dit betekent dat appellant vanaf 1 juli 1996 als gehuwde diende te worden aangemerkt, en dat hij derhalve niet langer kon worden beschouwd als een zelfstandig subject van bijstand zodat hij vanaf die datum geen recht meer had op een bijstandsuitkering berekend naar de norm voor een alleenstaande.

Door aan gedaagde vanaf 1 oktober 1994 geen opgave te doen van de door hem verrichte werkzaamheden en vanaf 1 juli 1996 aan gedaagde geen mededeling te doen van het voor de beoordeling van het recht op bijstand van belang zijnde gegeven dat de woon- en leefsituatie was gewijzigd heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw geschonden. Ten gevolge van deze schending kon van 1 oktober 1994 tot 1 juli 1996 het recht op uitkering van appellant niet worden vastgesteld, terwijl vanaf die datum geen recht meer bestond op bijstand naar de norm voor een alleenstaande.

De Raad merkt overigens op dat gedaagde ten onrechte tot 1 januari 1997 toepassing heeft gegeven aan de bepalingen van de ABW. Nu het recht op bijstand van appellant, gelet op artikel 4, eerste lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandwet, achteraf op de peildag 31 december 1995 was geëindigd, zijn de bepalingen van de Abw reeds met ingang van 1 januari 1996 op appellant van toepassing geworden. In zoverre berust het besluit van 20 april 2000 op een onjuiste wettelijke grondslag.

De Raad overweegt vervolgens dat gedaagde tot terugvordering van de ten onrechte verleende bijstand is gehouden op grond van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW (tot 1 januari 1996) en artikel 81, eerste lid, van de Abw (met ingang van 1 januari 1996; tekst vóór en na 1 juli 1997) en tot intrekking ingaande 1 juli 1997 op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw. Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien, is de Raad niet gebleken.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat moet worden beslist zoals hierna is aangegeven.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 20 april 2000 voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering van het recht op bijstand over de periode van 1 januari 1996 tot 1 januari 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1288,-- te betalen door de gemeente Helmond;
Bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 ( f 230,--) vergoedt.


Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. A.B.J. van der Ham als leden, in tegenwoordigheid van mr. P. C. de Wit als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) P. C. de Wit.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet
kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet.
Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x