Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP1855
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 15-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Het achteraf verrekenen van de inkomsten uit arbeid met de verstrekte bijstand. Terugvordering van de te veel betaalde bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/1596 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hoorn, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. N. van der Kruk, advocaat te Hoorn, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Alkmaar op 15 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1651 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 20 april 2004, waar appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. G.R.M. Koopman, werkzaam bij de gemeente Hoorn.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Appellant ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Hij ontving voorts inkomsten uit arbeid bij de thuiszorg, die per vier weken achteraf betaalbaar werden gesteld.

Bij besluit van 7 oktober 1998 heeft gedaagde met toepassing van artikel 82, aanhef en sub a, van de Abw respectievelijk artikel 81, tweede lid, van de Abw een bedrag van f 4.658,91 van appellant teruggevorderd wegens teveel verleende bijstand over de periode van 10 maart 1997 tot en met 30 april 1998. Dit vond zijn oorzaak in het feit dat gedaagde er bewust voor had gekozen om de door appellant opgegeven inkomsten uit arbeid die per vier weken achteraf werden uitbetaald, te korten in de maand waarin deze werden ontvangen en zonder deze om te rekenen naar maandbedragen, en achteraf de teveel verleende bijstand terug te vorderen. Daarnaast was gebleken dat gedaagde verzuimd had de door appellant ontvangen inkomsten uit arbeid over de maand mei 1997 te verrekenen.

Bij besluit van 16 februari 1999 is, voorzover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 7 oktober 1998 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 april 2000 heeft de rechtbank, voorzover hier van belang, het namens appellant tegen het besluit van 16 februari 1999 ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 16 februari 1999 vernietigd wegens een onjuiste wettelijke grondslag en gedaagde opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Voorts zijn beslissingen gegeven inzake de vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Bij besluit van 12 september 2000 is het recht op uitkering over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1998 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw herzien, is de over deze periode teveel verleende bijstand op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw en de teveel verleende bijstand over de maand mei 1997 op grond van artikel 81, tweede lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw tot een bedrag van f 3.399,40 teruggevorderd en is het bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant tegen het besluit van 12 september 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Voor de gronden van het hoger beroep heeft hij verwezen naar hetgeen in het kader van het beroep bij de rechtbank is aangevoerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat het besluit tot herziening van het recht op uitkering en de terugvordering van de teveel verleende bijstand ziet op een tweetal te onderscheiden periodes.



Ten aanzien van de periode mei 1997

Artikel 81 (tekst tot 1 juli 1997) van de Abw luidt:
"1. Indien de verplichting bedoeld in artikel 65 of een andere aan de bijstand verbonden verplichting door belanghebbende niet of niet behoorlijk is nagekomen dan wel indien de bijstand is verleend op grond van omstandigheden, te wijten aan het feit dat hij blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de bijstand van hem teruggevorderd voor zover de betreffende handelwijze heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.
2. Terugvordering als in het eerste lid bedoeld vindt eveneens plaats voor zover anderszins de bijstand tot een te hoog bedrag of geheel ten onrechte is verleend en de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen."

In het onderhavige geval staat vast dat appellant over de maand mei 1997 naast zijn inkomsten uit arbeid de volledige reguliere bijstand alsmede de vakantietoeslag heeft ontvangen. Voorts staat vast dat appellant over de in geding zijnde periode f 1.892,52 teveel aan bijstand is verleend. Vaststaat evenzeer dat dit niet is geschied door het niet (behoorlijk) nakomen van de in artikel 65, eerste lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw neergelegde inlichtingenplicht of ten gevolge van het blijk geven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen gaat het in zaken als de onderhavige, waarin de vraag aan de orde is of de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hem onverschuldigd uitkering is betaald, om de vraag of ten tijde van de betaling van die uitkering redelijkerwijs duidelijk was dat deze onverschuldigd werd gedaan.

Met gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant, aangezien in de periode voorafgaand aan de maand mei 1997 maandelijks een bedrag van circa f 1.600,- aan ontvangen inkomsten met zijn uitkering werd verrekend, redelijkerwijs kon begrijpen dat hem over de maand mei 1997 teveel uitkering was betaald.

Uit het voorgaande volgt dat over de maand mei 1997 aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, tweede lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw is voldaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid (tekst tot 1 juli 1997), van de Abw is de Raad ten slotte niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Ten aanzien van de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1998

Artikel 81 (tekst vanaf 1 juli 1997) van de Abw luidt:
"1. Bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 14 of 69, derde of vierde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, wordt van de belanghebbende teruggevorderd.
2. Hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald wordt teruggevorderd voor zover de belanghebbende dit redelijkerwijs had kunnen begrijpen.
3. Terugvordering als bedoeld in het tweede lid vindt niet plaats, indien de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vr de datum van het besluit tot terugvordering."

Blijkens de memorie van toelichting is artikel 81, eerste lid, van de Abw geschreven voor de gevallen waarin een wijziging van de omstandigheden of (nieuw) gebleken feiten en omstandigheden nopen tot herziening of intrekking van een besluit inzake de verlening van bijstand. In een dergelijk geval dient het betrokken bestuursorgaan - behoudens toepassing van artikel 69, vijfde lid, van de Abw - allereerst een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde lid, van de Abw te nemen. Indien een besluit als bedoeld in de artikelen 14 of 69, derde lid, van de Abw is genomen, is het bestuursorgaan vervolgens op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw gehouden over te gaan tot terugvordering van de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, tenzij toepassing zou moeten worden gegeven aan artikel 78, derde lid, van de Abw. Artikel 81, tweede lid, van de Abw is daarentegen, zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 20 augustus 2002, gepubliceerd in USZ 2002/284 en JABW 2002/174), uitsluitend geschreven voor de gevallen waarin geen sprake is van ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand, maar waarin - bijvoorbeeld als gevolg van een administratieve vergissing van het bestuursorgaan - meer aan bijstand is betaald dan waarop de belanghebbende volgens het toekenningsbesluit recht heeft. In een dergelijk geval is deze bepaling de juridische grondslag voor terugvordering van het onverschuldigd betaalde bedrag. Daarbij geldt als voorwaarde dat de belanghebbende redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat onnodig of te veel is uitgekeerd en - op grond van artikel 81, derde lid, van de Abw - als beperking een termijn van twee jaar na het maken van de desbetreffende kosten waarbinnen deze terugvorderingsgrond kan worden gehanteerd. Mede gelet op artikel 78, eerste lid, van de Abw is het bestuursorgaan niet vrij om artikel 81, tweede lid, van de Abw toe te passen in de gevallen waarop artikel 81, eerste lid, van de Abw ziet.

In het onderhavige geval staat vast dat de omvang van het recht op uitkering van appellant achteraf bezien geringer was dan waarvan bij het toekenningsbesluit is uitgegaan en dat appellant over de in geding zijnde periode f 1.506,88 teveel aan bijstand is verleend. Vaststaat evenzeer dat dit niet is geschied ten gevolge van een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de Abw of het niet (behoorlijk) nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting, zodat het bepaalde in artikel 69, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw van toepassing is.

De Raad ziet in het geval van appellant geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet bevoegd was om van herziening af te zien.

Uit het voorgaande volgt dat over de periode van 1 juli 1997 tot en met 30 april 1998 tevens is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.



Slotoverwegingen

De Raad komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2004.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x