Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP4476
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 22-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand omdat na onderzoek is gebleken dat betrokkene niet meer haar woonplaats heeft in de bijstandsverstrekkende gemeente.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/78 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Oosterhout, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. M.M. de Jong, advocaat te Goirle, op bij beroepschrift (met bijlagen) aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 30 oktober 2001, reg.nr. 01/822 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en namens appellante zijn bij brief van 14 juli 2003 nog een aantal stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 11 mei 2004, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak.

Bij besluit van 5 juli 2000 heeft gedaagde de aan appellante naar de norm voor een alleenstaande toegekende uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) met ingang van 1 mei 1998 ingetrokken op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat zij haar woonplaats niet meer in de gemeente [woonplaats] heeft. Dit besluit berust hiermee op de artikelen 63 en 65, eerste lid, van de Abw.
Bij besluit van 6 november 2000 heeft gedaagde op grond van het bepaalde in artikel 81, eerste lid, van de Abw de kosten van bijstand over de periode van 1 mei 1998 tot 1 mei 2000 (een bedrag van f 44.930,93) van haar teruggevorderd.

De door appellante tegen die besluiten gemaakte bezwaren zijn door gedaagde bij besluit van 30 maart 2001 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 30 maart 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij wel degelijk heeft aangetoond dat zij ten tijde in geding haar hoofdverblijf in [woonplaats] had. Voorts is appellante van mening dat het bestreden besluit onzorgvuldig is genomen, althans onvoldoende is gemotiveerd, omdat volgens haar onvoldoende rekening is gehouden met de door haar afgelegde verklaringen en de door haar overgelegde bescheiden.

De Raad heeft het volgende overwogen.



Intrekking over de periode van 1 mei 1998 tot en met 23 november 1998

Bij besluit van 29 april 1999 heeft gedaagde onder meer het recht op bijstand van appellante over de periode 1 juli 1997 tot en met 23 november 1998 ingetrokken. Bij (rechtens onaantastbaar geworden) besluit van 26 augustus 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen dat besluit ongegrond verklaard. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing van 5 juli 2000, voorzover deze betrekking heeft op de periode van 1 mei 1998 tot en met 23 november 1998, geen rechtsgevolg in het leven roept dat niet reeds door het (gehandhaafde) besluit van 29 april 1999 teweeg was gebracht. In zoverre is die beslissing niet als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan te merken. Gedaagde had het bezwaar tegen de beslissing van 5 juli 2000 in zoverre niet-ontvankelijk moeten verklaren. Nu gedaagde dit heeft nagelaten komt het bestreden besluit, voorzover dit de intrekking betreft over de periode van 1 mei 1998 tot en met 23 november 1998, voor vernietiging in aanmerking, evenals de aangevallen uitspraak in zoverre. De Raad zal met toepassing van artikel 8: 72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.



Intrekking over de periode van 24 november 1998 tot 1 mei 2000

De Raad ziet aanleiding het besluit van 30 maart 2001 ook voor het overige te vernietigen evenals de aangevallen uitspraak. Daartoe overweegt de Raad het volgende.
Naar vaste rechtspraak dient de vraag waar iemand zijn woonadres heeft te worden beantwoord aan de hand van de feitelijke situatie.
De Raad ziet in de beschikbare gegevens - waaronder de verklaringen die appellante in het kader van het onderzoek op 22 en 23 mei 2000 heeft afgelegd, de verklaringen van [naam getuige] van 22 en 23 mei 2000, de verklaringen van [naam betrokkene] van 24 mei 2000 en 20 november 2001, alsmede de verslagen van de observaties in de periode van 13 maart 2000 tot en met 10 april 2000 - onvoldoende grondslag voor het oordeel dat appellante gedurende de periode van 24 november 1998 tot 1 mei 2000 haar woonplaats niet langer in [woonplaats] had. Voorts biedt de schending van de inlichtingenverplichting, neergelegd in artikel 65, eerste lid, van de Abw, op zichzelf beschouwd een ontoereikende grondslag voor een besluit tot intrekking van de bijstand.
Het besluit van 30 maart 2001 ontbeert in zoverre dan ook een deugdelijke grondslag en is daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb.

De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van dit onderdeel van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe het volgende.
Op grond van de hierboven vermelde onderzoeksbevindingen alsmede het zeer geringe waterverbruik in de periode van 1 april 1998 tot 1 april 1999 (te weten 8m) van de woning in [woonplaats] waar appellante zegt grotendeels te verblijven, is voor de Raad niet komen vast te staan dat appellante daadwerkelijk verblijf houdt op het door haar opgegeven adres in [woonplaats]. Door geen juiste informatie te verstrekken over haar woonadres, een voor de verlening van bijstand essentieel gegeven, heeft appellante de in artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg daarvan kan niet (meer) worden vastgesteld of zij ten tijde van belang jegens gedaagde recht had op bijstand. Een en ander brengt mee dat gedaagde het recht op bijstand van appellante over de periode van 24 november 1998 tot 1 mei 2000 terecht heeft ingetrokken. De Raad ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw.



Terugvordering

Gelet op het voorgaande is wat de periode van 24 november tot 1 mei 2000 betreft voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 81, eerste lid, van de Abw.
Het besluit van 30 maart 2001 terzake van de terugvordering heeft tevens betrekking op de periode van 1 mei 1998 tot en met 23 november1998. Het bedrag van de terugvordering (f 44.930,93) ziet op de periode van 1 mei 1998 tot 1 mei 2000. Dit besluit dient derhalve, gelet op hetgeen hierboven met betrekking tot dat tijdvak is overwogen, ook wat de terugvordering betreft te worden vernietigd.
Uit de gedingstukken blijkt dat de kosten van bijstand over het tijdvak van 24 november 1998 tot 1 mei 2000 in het geval van appellante f 29.862,28 hebben bedragen. Van de zijde van appellante is dit bedrag niet betwist en ook de Raad is niet gebleken dat deze berekening onjuist is. De Raad ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb te bepalen dat van appellante een bedrag van 13.550,91 (f 29.862,28) wordt teruggevorderd. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, in welk geval geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien, is de Raad niet gebleken.



Slotoverweging

De Raad acht tenslotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op 644,-- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op 322,-- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit;
Verklaart het bezwaar dat betrekking heeft op de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 1 mei 1998 tot en met 23 november 1998 niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit met betrekking tot de intrekking van de bijstandsuitkering over de periode van 24 november 1998 tot 1 mei 2000 in stand blijven;
Bepaalt dat van appellante de over de periode van 24 november 1998 tot 1 mei 2000 betaalde kosten van bijstand ad 13.550,91 (f 29.862,28) wordt teruggevorderd;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 966,-, te betalen door de gemeente Oosterhout;
Bepaalt dat de gemeente Oosterhout aan appellante het in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal 104,37 (f 230,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr. G.M.T. Berkel-Kikkert als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 juni 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x