Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP7709
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen (over)vermogen op een verzwegen bankrekening. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/5516 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Met ingang van 1 januari 2004 heeft gedaagde het besluit tot delegatie van zijn bevoegdheid tot het nemen van besluiten op bezwaar aan de commissie Sociale Zekerheid ingetrokken. Thans berust die bevoegdheid bij het College. In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan de Commissie Sociale Zekerheid.

Namens appellant heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat te 's-Gravenhage, op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Gravenhage op 13 september 2001, reg.nr. 00/11789 ABW, tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken aan de Raad gezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 mei 2004, waar voor appellant is verschenen mr. de Wit en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. N. Maas, werkzaam bij de gemeente 's-Gravenhage.




II. MOTIVERING


Appellant ontving vanaf 3 augustus 1995 tot en met 4 februari 1999 (met onderbrekingen) een bijstandsuitkering, aanvankelijk krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) en vanaf 23 oktober 1996 op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van informatie van de Belastingdienst dat appellant rente heeft ontvangen op een tegoed van een op zijn naam staande bankrekening, heeft gedaagde een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstandsuitkering. Uit dit onderzoek is naar voren gekomen dat appellant beschikte over een bankrekening die niet bij gedaagde bekend was en waarop op 19 september 1995 een positief saldo stond van f 48.859,62. Op 18 november 1997 bedroeg het saldo f 34.861,92. Op 19 november 1997 is van die rekening een bedrag van f 34.831,92 afgeboekt zodat per die datum een saldo resteerde van f 30,--.

Gedaagde heeft hierin aanleiding gezien om bij besluit van 10 mei 2000 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw de aan appellant over de perioden van 3 augustus 1995 tot en met 31 oktober 1995, 23 oktober 1996 tot en met 25 februari 1997, 17 september 1997 tot en met 30 november 1997 en 18 mei 1998 tot en met 4 februari 1999 de besluiten tot toekenning van bijstand in te trekken. Gedaagde heeft hierbij overwogen dat appellant over die perioden over meer vermogen beschikte dan het vrij te laten vermogen en dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Voorts heeft gedaagde, zich baserende op artikel 81, eerste lid, van de Abw, besloten tot terugvordering van de kosten van bijstand tot een bedrag van f 33.019,69.

Bij besluit op bezwaar van 13 oktober 2000 heeft gedaagde aan de intrekking en de terugvordering over de periode van 3 augustus 1995 tot en met 31 oktober 1995 alsnog artikel 30, tweede lid, van de ABW en artikel 57, aanhef en onder a, van de ABW ten grondslag gelegd, terwijl voor de intrekking van het recht op bijstand over de periode vanaf 1 juli 1997 artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw van toepassing is verklaard.

Appellant heeft tegen het besluit van 13 oktober 2000 beroep ingesteld. Hij heeft daartoe aangevoerd - samengevat - dat gedaagde ten onrechte heeft aangenomen dat het op de bankrekening staande vermogen aan hem zou hebben toebehoord aangezien het geld toekwam aan zijn inmiddels overleden moeder en zuster en is aangewend voor hun begrafenissen in Suriname en het maken en afwerken van diverse grafkelders aldaar.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe - kort weergegeven - overwogen dat appellant niet heeft aangetoond dat hij niet redelijkerwijs kon beschikken over het tegoed van de op zijn naam staande bankrekening. Gelet op de hoogte van het banksaldo in september 1995 kon appellant over de periode van 3 augustus 1995 tot en met 4 februari 1999 geen recht doen gelden op een bijstandsuitkering.

Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is met gedaagde van oordeel dat appellant niet in genoegzame mate heeft aangetoond dat het saldo van de op zijn naam staande bankrekening niet een bestanddeel van het vermogen vormde waarover hij kon beschikken dan wel redelijkerwijs kon beschikken. Appellant heeft in beroep en hoger beroep een aantal verklaringen overgelegd, doch de Raad is van oordeel dat deze achteraf opgestelde verklaringen onvoldoende aantonen dat appellant dit vermogen niet toekwam en hij slechts beheerder was van gelden van zijn moeder en zuster bestemd voor hun begrafenis. De Raad wijst er onder meer op dat deze begrafenissen in de loop van 1996 in Suriname plaatsvonden en dat appellant op 19 september 1995 en op 4 oktober 1995 van de betreffende bankrekening f 5.000,-- respectievelijk f 10.000,-- heeft opgenomen.
Appellant heeft aangevoerd dat zijn moeder maandelijks f 400,-- op de rekening stortte en dat zijn zuster hem op de momenten dat hij in Suriname was de gelden contant in handen gaf. Dat het saldo van de rekening geheel op deze wijze is opgebouwd is evenwel niet aangetoond. Van de gestelde contante betalingen door de zus van appellant is in het geheel geen objectief en verifieerbaar bewijs overgelegd, terwijl van de maandelijkse stortingen door S. Djorai slechts bewijzen voorhanden zijn vanaf januari 1995, op welk moment het saldo van de bankrekening reeds f 45.259,92 bedroeg.

Nu van relevante negatieve vermogensbestanddelen niet is gebleken, bedroeg het vermogen van appellant over de bovenvermelde perioden tot 19 november 1997 aanmerkelijk meer dan de destijds voor hem krachtens bepalingen van de ABW en de Abw geldende vermogensgrens.
Voorts is niet betwist, en ook de Raad stelt vast, dat appellant van dit vermogen in strijd met de op hem ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenverplichting aan gedaagde geen mededeling heeft gedaan.
Gedaagde heeft op deze grond het recht op bijstand over de genoemde perioden tot 19 november 1997 (vanaf 1 juli 1997 met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw) dan ook terecht ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken. Ook is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van artikel 57, aanhef en onder a, van de ABW respectievelijk artikel 81, eerste lid (tekst voor en vanaf 1 juli 1997), van de Abw. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw is de Raad niet gebleken.

Met betrekking tot de periode van 19 november 1997 tot en met 4 februari 1999 kan echter niet worden gesteld dat appellant beschikte over vermogen dat meer bedroeg dan het in zijn geval vrij te laten vermogen. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen is voor de omvang van het vermogen de feitelijke vermogenssituatie bepalend. Vaststaat dat op 19 november 1997 het saldo van de meergenoemde bankrekening f 30,-- bedroeg. Niet is komen vast te staan dat appellant op dat moment anderszins over relevant vermogen beschikte. Evenmin is gebleken dat nadien het vermogen van appellant de grens van het vrij te laten vermogen overschreed. Dit leidt de Raad tot de conclusie dat de intrekking van het recht op bijstand vanaf 19 november 1997 niet kan worden gebaseerd op de aanwezigheid van te veel vermogen. Het besluit van 13 oktober 2000 ontbeert in zoverre dan ook een deugdelijke grondslag en dient in zoverre wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd. Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dit besluit in stand is gelaten, kan niet in stand blijven.

De Raad ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 13 oktober 2000 in stand te laten. De Raad overweegt daartoe het volgende.

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw is de belanghebbende verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij invloed hebben op het recht op bijstand, het geldend maken van het recht op bijstand, de hoogte of de duur van de bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald. Indien de belanghebbende deze verplichting niet of in onvoldoende mate nakomt en in gebreke blijft dat verzuim te herstellen, is dat, in samenhang bezien met artikel 7, eerste lid, van de Abw, een rechtsgrond voor weigering of beëindiging van de bijstand wanneer door de schending van die rechtsplicht het recht op bijstand niet of niet langer kan worden vastgesteld.

Op het bankafschrift dat melding maakt van een overboeking op 19 november 1997 van het bedrag van f 34.831,92, is niet aangegeven op welke rekening dit bedrag is gestort. Appellant heeft tijdens het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek naar de rechtmatigheid van de hem verleende uitkering omtrent die overboeking niets willen verklaren.
Gedurende de procedure bij de rechtbank heeft appellant stukken overgelegd, waaronder een door N. Kalikadien op 5 april 2001 ten overstaan van een notaris te Suriname afgelegde verklaring, waarnaar hij ook in hoger beroep verwijst. Deze verklaring houdt (kort weergegeven) in dat N. Kalikadien aan appellant in 1996 een bedrag groot $ 15.000,-- heeft geleend voor begrafeniskosten en dat appellant hem dat bedrag in 1997 heeft terugbetaald via zijn in Nederland wonende broer. Ter zitting is namens appellant desgevraagd meegedeeld dat de gestelde terugbetaling contant is geschied. Enig objectief en verifieerbaar bewijs van deze transacties is niet voorhanden. Voorts komen de stellingen van appellant niet overeen met de vermelding op het betreffende bankafschrift dat het gaat om een overboeking.

Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat door de schending van de inlichtingenverplichting door appellant niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, appellant vanaf 19 november 1997 nog recht op uitkering had. Gedaagde heeft derhalve ook over de periode van 19 november 1997 tot en met 4 februari 1999 het recht op bijstand van appellant terecht ingetrokken. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw is de Raad ook ter zake van dit tijdvak niet gebleken.

Hiermee is gegeven dat ook voor deze periode is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering van artikel 81, eerste lid, van de Abw. Van dringende redenen om van terugvordering af te zien is niet gebleken.

Ten slotte acht de Raad termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op eveneens € 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 13 oktober 2000 voorzover dat ziet op de intrekking van het recht op bijstand vanaf 19 november 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van dat besluit in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €1288,-- te betalen door de gemeente 's-Gravenhage aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat de gemeente 's-Gravenhage aan appellant het betaalde griffierecht van in totaal € 104,37 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. G.A.J. van den Hurk en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x