Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AP8258
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 29-06-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking van de tijdelijke ontheffing van de arbeidsverplichtingen omdat betrokkene volledig arbeidsgeschikt wordt geacht.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 02/73 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. P.R. Klaver, advocaat te Bergen op Zoom, op de bij een aanvullend beroepschrift (met bijlagen) aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 12 november 2001, reg.nr. 00/1936 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 mei 2004, waar appellant en zijn gemachtigde - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. R.M. Mol, werkzaam bij de gemeente Bergen op Zoom.




II. MOTIVERING


Voor de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Bij besluit van 9 augustus 1999 heeft gedaagde aan appellant met ingang van 5 juli 1999 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor gehuwden toegekend. Daarbij is aan appellant tijdelijk ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen, bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Awb.

Bij besluit van 21 februari 2000 heeft gedaagde de ontheffing ingetrokken. Gedaagde heeft zich daarbij gebaseerd op adviezen van de GGD-arts E.P. Paling van 7 december 1999 en 23 december 1999. De GGD-arts heeft appellant, rekening houdend met de medische toestand van diens echtgenote en met de klachten van appellant aan het houdings- en bewegingsapparaat, volledig arbeidsgeschikt geacht.

Bij besluit van 3 oktober 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 21 februari 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, nadat de GGD-arts in een nader advies van 17 augustus 2000 zijn eerdere standpunt omtrent de arbeidsgeschiktheid van appellant heeft gehandhaafd, zij het onder de toevoeging dat gezien diens psychische klachten de toeleiding naar de arbeidsmarkt rustig moet worden opgebouwd.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het tegen het besluit van 3 oktober 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is, evenals in eerste aanleg, betoogd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter ondersteuning van die stelling is verwezen naar reeds in eerste aanleg overgelegde medische gegevens, alsmede naar een door GGZ Westelijk Noord-Brabant uitgebracht advies van 3 januari 2003. Voorts heeft appellant de Raad verzocht een - medisch - deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek.

De Raad is van oordeel dat gedaagde zijn besluitvorming op de adviezen van de GGD-arts van 7 december 1999, 23 december 1999 en 17 augustus 2000 heeft mogen baseren. Niet is gebleken dat deze adviezen wat de wijze van totstandkoming of de inhoud ervan betreft niet deugdelijk zouden zijn. De bevindingen en de conclusies van deze eerdere adviezen worden bovendien bevestigd door een tijdens de procedure in eerste aanleg nader uitgebracht GGD-advies van 9 maart 2001.

De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.

De namens appellant in hoger beroep overgelegde medische gegevens - die overigens (mede) aanleiding zijn geweest voor en meegewogen zijn bij de adviezen van 17 augustus 2000 en 9 maart 2001- geven de Raad geen aanleiding voor een andersluidend oordeel.

De Raad wijst er ten slotte nog op dat in dit geding uitsluitend ter beoordeling staat de situatie van appellant ten tijde van het nemen van het besluit van 21 februari 2000. Indien appellant van mening is dat sprake is van toename van zijn arbeidsongeschiktheid in een latere periode, kan hij bij gedaagde een aanvraag om - hernieuwde - ontheffing indienen.

Voor het benoemen van een deskundige bestaat gelet op het voorgaande geen grond.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x