Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AQ1838
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 06-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging bijstand. Aanvangstijdstip van de stage; tijdelijke niet-inschrijving als student; volgen van onderwijs.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/6183 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen-Holten, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Als gevolg van gemeentelijke herindeling treedt in dit geding appellant in de plaats van het College van burgemeester en wethouders van de voormalige gemeente Rijssen. In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijssen.

Appellant heeft op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Almelo op 24 oktober 2001 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nr. 01/333 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 februari 2003 heeft appellant een nader stuk ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 25 mei 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door P.J. Izaks, werkzaam bij de gemeente Rijssen-Holten en waar gedaagde is verschenen in persoon.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan gedaagde is met ingang van 1 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Appellant heeft de aan gedaagde toegekende bijstand met ingang van 1 juni 2000 beŽindigd naar aanleiding van de mededeling van gedaagde dat hij met ingang van 1 juni 2000 als deeltijdstudent staat ingeschreven aan de Universiteit Utrecht om zijn studie Psychologie af te ronden en dat hij in dat kader van 1 juni 2000 tot en met 31 augustus 2000 stage loopt bij de Riagg IJsselland (hierna: Riagg).

Uit de van de Riagg verkregen werkgeversverklaring is appellant gebleken dat gedaagde reeds op 1 maart 2000 met zijn stage is begonnen. Hierop heeft appellant bij besluit van 10 oktober 2000 de bijstandsuitkering over de periode van 1 maart 2000 tot en met 31 mei 2000 herzien (lees: ingetrokken) en de over deze periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van f 5.314,95 van gedaagde teruggevorderd. Tevens is bij afzonderlijk besluit van gelijke datum een boete van f 825,-- opgelegd.

De tegen de beide besluiten van 10 oktober 2000 gemaakte bezwaren heeft appellant bij besluit van 20 maart 2001 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag nader is vastgesteld op f 5.053,68 (lees: f 4.969,95) en de boete op f 775,--. Dit besluit is gebaseerd op de grond dat gedaagde (ook reeds) over de periode van 1 maart 2000 tot en met 31 mei 2000 onderwijs volgde in de zin van artikel 9, tweede lid, aanhef onder c, van de Abw, welke bepaling aan verlening van bijstand in de weg staat. Gedaagde heeft naar het oordeel van appellant zijn inlichtingenplicht geschonden door van deze omstandigheid geen melding te maken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit dient te nemen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw ten aanzien van gedaagde over de periode van 1 maart 2000 tot en met 31 mei 2000 toepassing mist nu gedaagde in deze periode niet als student stond ingeschreven bij een onderwijsinstelling. Verder is de rechtbank uit de gedingstukken onvoldoende gebleken dat gedaagde ook reeds tijdens de periode in geding een stage in het kader van de studie Psychologie heeft gelopen. Tot slot was de rechtbank van oordeel dat de omvang van de stage onvoldoende door appellant is onderzocht.

In hoger beroep heeft appellant zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hierbij heeft appellant, onder verwijzing naar nader verkregen informatie van de Riagg en de Universiteit Utrecht, aangevoerd dat gedaagde geacht moet worden de stage over de in geding zijnde periode te hebben gelopen in het kader van zijn studie Psychologie, welke hij op 31 augustus 2000 met goed gevolg heeft afgerond. De boete dient volgens appellant bij nader inzien, conform de uitspraak van de rechtbank, te worden vastgesteld op f 725,--, zijnde 15% van het in aanmerking te nemen benadelingsbedrag te weten: f 4.803,66.

Gedaagde stelt zich op het standpunt dat hij tijdens de in geding zijnde periode slechts activiteiten op therapeutische basis bij de Riagg heeft ontplooid met als doel te bezien of hij, na een ziekteperiode weer in staat was om zijn studie af te ronden.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De intrekking en terugvordering

Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onder c, van de Abw heeft geen recht op algemene bijstand degene, wiens voor werkzaamheden beschikbare tijd voor ten minste 19 uur per week in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding. De Raad heeft reeds vaker overwogen dat onder het volgen van onderwijs ook wordt verstaan het lopen van een stage in het kader van een opleiding.

De Raad begrijpt de door de Universiteit Utrecht op 5 november 2001 verstrekte informatie in die zin dat een stage in het kader van de studie Psychologie verplicht is gesteld en dat het mogelijk is een stage te lopen zonder ingeschreven te staan als student. Vervolgens hecht de Raad betekenis aan de (aanvullende) verklaring van de Riagg van 14 november 2001, waaruit blijkt dat de Riagg met betrekking tot de vraag in welke hoedanigheid gedaagde werkzaam was, van mening is dat gedaagde sedert 1 maart 2000 als stagiaire werkzaam is geweest in het kader van de opleiding tot psycholoog. Tot slot acht de Raad niet zonder betekenis dat gedaagde bij zijn stage begeleid werd door dr. M.J. Enders-Slegers, psycholoog en docent bij de Capaciteitsgroep Klinische Psychologie van de Universiteit Utrecht. Dit houdt naar het oordeel van de Raad in dat gedaagde bij zijn activiteiten voor de Riagg professioneel werd begeleid. Hieraan doet niet af dat dit kosteloos en in eigen tijd van genoemde psycholoog geschiedde. Tot slot is van belang dat gedaagde tijdens de zitting bij de Raad uiteengezet heeft dat hij in de maanden maart 2000 tot en met augustus 2000 met een steeds grotere mate van zelfstandigheid en verantwoordelijkheid bij de Riagg actief was. Gelet op de hierboven vermelde omstandigheden ziet de Raad feitelijk geen verschil in de activiteiten die gedaagde tijdens de in geding zijnde periode ontplooide en een stage in het kader van (het afronden van) een opleiding. Dat gedaagde daarbij niet als student stond ingeschreven aan de universiteit maakt dit niet anders. De Raad kan dan ook geen betekenis toekennen aan het standpunt van gedaagde dat hij over de in geding zijnde periode geen stage heeft gelopen maar op therapeutische basis activiteiten heeft ontplooid. De ter zitting opgeworpen stelling van gedaagde dat de Riagg vanwege administratieve redenen aan appellant meegedeeld heeft dat hij daar stage liep, acht de Raad onvoldoende onderbouwd.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de Raad de vraag of gedaagde tijdens de in geding zijnde periode geacht kan worden onderwijs gevolgd te hebben, zoals bedoeld in artikel 9, tweede lid aanhef en onder c, van de Abw, anders dan de rechtbank, bevestigend beantwoordt.

Ten aanzien van het tijdsbeslag van de stage acht de Raad van belang dat gedaagde tot de zitting bij de Raad niet heeft weersproken dat de activiteiten bij de Riagg tijdens de in geding zijnde periode ten minste 19 uur per week vergden. Eerst ter zitting bij de Raad heeft gedaagde verklaard dat de omvang van zijn activiteiten bij de Riagg varieerde en dat hij zich niet meer kon herinneren wat de exacte omvang in die periode was. Voorts heeft de Riagg op 23 november 2001 tegenover appellant bevestigd dat gedaagde gedurende de gehele periode van 1 maart 2000 tot 1 juli 2000 32 uur per week als stagiaire werkzaam is geweest. Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat in voldoende mate is komen vast te staan dat de stage over de periode in geding tenminste 19 uur per week van de voor gedaagde beschikbare tijd voor werkzaamheden besloeg.

Door geen mededeling aan appellant te doen over zijn stage vanaf 1 maart 2000 heeft gedaagde de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenplicht geschonden. Dat gedaagde daarvan om privacyredenen geen mededeling aan appellant heeft gedaan, maakt dit niet anders aangezien gedaagde gehouden was alle relevante feiten en omstandigheden te melden die van invloed kunnen zijn op (de voortzetting van) het recht op bijstand.

Nu gedaagde de op hem rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dit heeft geleid tot het ten onrechte verlenen van bijstand, was appellant gehouden om met toepassing van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw tot intrekking van het recht op bijstand over de periode van 1 maart 2000 tot en met 31 mei 2000 over te gaan en de over die periode ten onrechte verleende bijstand met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw terug te vorderen. De Raad is niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid respectievelijk 78, derde lid, van de Abw, zodat appellant niet bevoegd was om van intrekking of terugvordering af te zien.



De boete

Met betrekking tot de opgelegde boete, die zijn grond vindt in de door gedaagde geschonden inlichtingenverplichting, overweegt de Raad als volgt.

Gelet op artikel 2, aanhef en onder a, van het Inwerkingtredingbesluit Wet werk en bijstand en Invoeringswet Wet werk en bijstand (Stb. 2003, 386) in combinatie met het gegeven dat de in artikel 2, eerste lid, van de Invoeringsregeling WWB (Stcrt. 2003, 203) bedoelde verordeningen nog niet tot stand zijn gekomen, stelt de Raad vast dat ter zake van het niet nakomen van de in artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen inlichtingenverplichting in de gemeente Rijssen-Holten thans onder meer artikel 14a van de Abw nog van kracht is.

De Raad stelt vast dat het niet nakomen van de inlichtingenverplichting hier heeft geleid tot het tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, zodat appellant gehouden was gedaagde een boete als bedoeld in artikel 14a, eerste lid (tekst tot en met 31 december 2001), van de Abw op te leggen.

Ter beantwoording van de vraag welke consequenties in rechte moeten worden verbonden aan de aan gedaagde toe te rekenen gedraging dient de Raad in de eerste plaats op grond van artikel 15, eerste lid, laatste volzin, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten ambtshalve na te gaan of het op 1 februari 2001 - en daarmee na het begaan van de gedraging door gedaagde - in werking getreden Boetebesluit socialezekerheidswetten (hierna: Boetebesluit) voorziet in een lagere boete dan het krachtens artikel 14a, zesde lid (tekst tot en met 31 december 1998), van de Abw tot stand gekomen en nadien op artikel 14a, zevende lid, van de Abw berustende Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Besluit tarieven). Terzake blijkt dat ingevolge artikel 3, eerste lid, van het Besluit tarieven de boete wordt vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, terwijl ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit de boete wordt vastgesteld op 10% van het (bruto) benadelingsbedrag. Toepassing van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit brengt mee dat in het onderhavige geval de boete wordt vastgesteld op Ä 220,--, zijnde 10% van f 4.803,66 en naar boven afgerond op een veelvoud van Ä 11,--.

De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op grond van de ernst van de gedraging, de mate waarin de gedraging gedaagde kan worden verweten en/of de omstandigheden waarin hij verkeert, de boete op een ander bedrag dan Ä 220,-- zou moeten worden vastgesteld.

Ten slotte is de Raad niet gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 14a, derde lid (tekst tot 31 december 1998), van de Abw op grond waarvan aan appellant de bevoegdheid toekomt om van het opleggen van een boete af te zien.



Slotoverwegingen

Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit is vernietigd, niet in stand kan blijven. Ook het bestreden besluit, (uitsluitend) voorzover betrekking hebbende op de hoogte van de opgelegde boete, dient te worden vernietigd. De Raad zal, zelf in de zaak voorziende, bepalen dat aan gedaagde een boete van Ä 220,-- wordt opgelegd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voorzover daarbij is beslist omtrent proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep gegrond voorzover dit ziet op de opgelegde boete;
Vernietigt het besluit van 20 maart 2001 in zoverre;
Bepaalt dat aan gedaagde een boete wordt opgelegd van Ä 220,--, te betalen aan de gemeente Rijssen-Holten.

Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.M. van Male en mr R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M. Pijper.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x