Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AQ4830
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 13-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen inkomsten uit arbeid. Schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/1926 NABW en 02/1927 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellanten], beiden wonende te [woonplaats], appellanten,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellanten heeft mr. M.J.M. Strijbosch, advocaat te Eindhoven, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank ís-Hertogenbosch op 20 februari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. AWB 00/6903, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 1 juni 2004, waar partijen, met kennisgeving, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Aan appellanten is over de periode van 1 september 1995 tot en met 30 april 1996 een bijstandsuitkering verleend naar de norm voor gehuwden.

Bij besluit van 21 januari 2000 heeft gedaagde de voor appellanten gemaakte kosten van bijstand over de periode van 30 oktober 1995 tot en met 14 april 1996 tot een bedrag van f 9.039,72 van hen teruggevorderd op de grond dat appellant [appellant 1] over die periode inkomsten uit arbeid heeft ontvangen waarvan appellanten, in strijd met de op hen rustende wettelijke inlichtingenplicht, geen melding hebben gemaakt aan gedaagde.

Voorts heeft gedaagde bij besluit van 30 mei 2000 ingaande 1 juni 2000 het aflossingsbedrag op f 1.200,-- per maand vastgesteld.

Bij besluit van 5 september 2000 heeft gedaagde het tegen het besluit van 21 januari 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het tegen het besluit van 30 mei 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 5 september 2000 ingestelde beroep, voorzover bij dit besluit het maandelijkse aflossingsbedrag ingaande 1 juni 2000 was gehandhaafd op f 1.200,--, ongegrond verklaard.

Appellanten hebben zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Gedaagde heeft blijkens de gedingstukken de draagkracht van appellanten, na eerst de op hen van toepassing zijnde bijstandsnorm op hun gezamenlijke inkomen in mindering te hebben gebracht en na aftrek van het surplus aan huurlasten, vastgesteld op f 2.013,87. Van dit bedrag heeft gedaagde - overeenkomstig zijn beleid met betrekking tot fraudevorderingen - de helft in aanmerking genomen en daarbij de in de toepasselijke bijstandsnorm minimale aflossingsnorm van 10%, in casu f 217,-- opgeteld. Dit heeft geresulteerd in een aflossingscapaciteit ingaande 1 juni 2000 van f 1.200,-- per maand.

Naar het oordeel van de Raad kan de namens appellanten aangevoerde grond dat onvoldoende rekening is gehouden met de daadwerkelijke lasten in het gezin reeds hierom niet slagen, nu daaromtrent geen concrete verifieerbare gegevens in het geding zijn gebracht.

Met betrekking tot het door appellanten ingenomen standpunt dat, gelet op de datum van het besluit op bezwaar van 5 september 2000, de aflossingscapaciteit ten onrechte is beoordeeld naar de datum 1 juni 2000, overweegt de Raad dat aan de inhoud van het besluit van 5 september 2000 geen andere conclusie is te verbinden dan dat de door gedaagde met ingang van 1 juni 2000 vastgestelde aflossingscapaciteit wordt gehandhaafd en naar het oordeel van de Raad op goede gronden is geschied. Wijzigingen in de (financiŽle) omstandigheden van appellanten die zich hebben voorgedaan nŠ de peildatum 1 juni 2000 kunnen dan ook slechts tot gevolg hebben dat mogelijk met ingang van een latere datum een nieuw aflossingsbedrag wordt vastgesteld.

Het voorgaande, mede bezien in het licht van hetgeen artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering omtrent de beslagvrije voet bepaalt, leidt de Raad tot het oordeel dat gedaagde het aflossingsbedrag ingaande 1 juni 2000 op f 1.200,-- heeft kunnen vaststellen.
De aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 juli 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) M.C.M. Hamer.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x