Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AQ5355
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 20-07-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Toekenning bijstand met ingang van 1 mei 2000 aangezien betrokkene geacht wordt over de periode van 9 maart 2000 tot en met 30 april 2000 over voldoende middelen uit eigen vermogen te beschikken. Zijn bij het vaststellen van het vermogen terecht bepaalde schulden niet meegenomen?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/1521 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. C.C.M. Welten, advocaat te Rotterdam, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 24 januari 2002 tussen partijen gewezen uitspraak, reg.nr. NABW 01/1097, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant is een nader stuk in het geding gebracht.

Het geding is behandeld ter zitting van 8 juni 2004, waar namens appellant is verschenen mr. Welten, voornoemd, terwijl gedaagde - zoals aangekondigd - zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant heeft op 9 maart 2000 een aanvraag ingediend om toekenning van een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij besluit van 12 september 2000 heeft gedaagde besloten eerst met ingang van 1 mei 2000 een uitkering toe te kennen, aangezien appellant geacht wordt over de periode van 9 maart 2000 tot en met 30 april 2000 over voldoende middelen te beschikken uit eigen vermogen. Het tegen het besluit van 12 september 2000 gemaakte bezwaar is bij besluit van 3 april 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 3 april 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

Gelet op het verhandelde ter zitting richt het hoger beroep van appellant zich thans nog tegen het oordeel van de rechtbank dat appellant de schuld aan zijn ex-buren van f 800,-- en twee schulden aan het Advokatenkollektief van f 1.163,26 en f 10.360,-- niet heeft aangetoond, zodat deze in de vermogensberekening niet kunnen worden meegenomen. Voorts kan appellant zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de levensverzekering van appellant met polisnummer L26381159 tot zijn vermogen wordt gerekend.

De Raad, zich beperkend tot de punten van geschil, overweegt als volgt.

Volgens vaste jurisprudentie kunnen schulden bij de vermogensvaststelling uitsluitend in aanmerking worden genomen indien het feitelijk bestaan ervan in voldoende mate aannemelijk is gemaakt en tevens komt vast te staan dat aan die schuld ook daadwerkelijk een terugbetalingsverplichting is verbonden.

Ook naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde terecht voormelde schulden buiten beschouwing gelaten. Uit de stukken blijkt weliswaar dat appellant bij rechterlijke beslissing in 1998 veroordeeld is in de kosten van een procedure tegen zijn ex-buren, doch hij heeft niet met bescheiden aannemelijk gemaakt dat ten tijde in geding hiervan nog een bedrag openstond. De schuld aan het Advokatenkollektief van f 1.163,26 is door appellant niet toegelicht noch heeft hij met bescheiden het bestaan van deze schuld op de datum hier in geding aannemelijk gemaakt. Voorts betreft de nota van f 10.360,-- van het Advokatenkollektief slechts een begrotingsdeclaratie; van een (aangegane) verplichting jegens het Advokatenkollektief blijkt op geen enkele wijze.

Met betrekking tot de levensverzekering heeft de Raad eerder geoordeeld, onder meer in zijn uitspraak van 7 november 2000, gepubliceerd in JABW 2001/2, dat, bezien vanuit de Abw, het afkopen van een dergelijke verzekering redelijkerwijs van de belanghebbende gevergd kan worden. Gedaagde heeft op deze regel in zijn beleid een uitzondering gemaakt indien belanghebbende voor begrafenis- of crematiekosten een voorziening heeft getroffen in de vorm van een storting op een geblokkeerde bank- of girorekening voorzover (...) het tegoed alleen bij overlijden of emigratie kan worden opgenomen. Evenals de rechtbank acht de Raad dit beleid in algemene zin niet onredelijk. Blijkens de stukken voldoet voormelde polis van appellant niet aan de in het beleid neergelegde voorwaarden, aangezien het hier gaat om een beleggingsverzekering die te allen tijde op verzoek van appellant kan worden beŽindigd, met uitbetaling van het tegoed, zodat gedaagde op goede gronden heeft besloten deze polis tot het vermogen van appellant te rekenen. Dat appellant, zoals hij heeft aangevoerd, niet voor de keuze is gesteld deze polis alsnog om te zetten in een polis ten behoeve voor zijn begrafenis die wel voldoet aan de door gedaagde gestelde voorwaarden, maakt dat oordeel niet anders.

Het vorenstaande betekent dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter, en mr. C. van Viegen en mr. A.W.M. Bijloos als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 juli 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x