Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AQ6790
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 10-08-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Intrekking en terugvordering van de bijstand wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Schending van de inlichtingverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 01/5972 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. K. Blonk, advocaat te Rotterdam, op bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Rotterdam op 8 oktober 2001 onder reg.nr. NABW 99/1857 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 29 juni 2004, waar voor appellante mr. Blonk is verschenen en waar gedaagde zich, zoals aangekondigd, niet heeft doen vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontving van 14 maart 1979 tot 1 maart 1997 een uitkering ingevolge de Algemene Bijstandswet (ABW), berekend naar de norm voor een eenoudergezin. Die uitkering is met ingang van laatstgenoemde datum omgezet in een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder.

Naar aanleiding van een anonieme tip dat appellante met [naam partner] (hierna: [naam partner] samenwoont, heeft de Sociale Recherche een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In het kader van dat onderzoek, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 14 juli 1998, zijn onder meer observaties verricht, is dossieronderzoek gedaan en zijn appellante en [naam partner] verhoord.

Gedaagde heeft in een en ander aanleiding gezien om bij besluit van 3 augustus 1998 de uitkering van appellante over de periode van 1 augustus 1993 tot en met 30 april 1998 te herzien (lees: in te trekken) en de over die periode verleende bijstand ten bedrage van f 100.955,65 van appellante terug te vorderen.

Bij besluit van 6 juli 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 augustus 1998 ongegrond verklaard, met dien verstande dat het terug te vorderen bedrag nader op f 96.909,46 is vastgesteld.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten, het beroep tegen het besluit van 6 juli 1999 gegrond verklaard voorzover betrekking hebbend op de periode van 1 maart 1997 tot 1 juli 1997, dat besluit met betrekking tot die periode vernietigd, bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde deel van het besluit geheel in stand blijven en het beroep voor het overige ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft, evenals in bezwaar en beroep, gesteld dat zij geen gezamenlijke huishouding met [naam partner] heeft gevoerd. Zij is tijdens haar verhoor door de Sociale Recherche zodanig onder druk gezet dat zij niet aan de juistheid van haar tegenover de Sociale Recherche afgelegde verklaring kan worden gehouden. In verband daarmee heeft zij een tweetal verklaringen van haar zuster respectievelijk haar vader overgelegd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat voldoende vaststaat dat appellante en [naam partner] in de periode van 1 augustus 1993 tot en met 30 april 1998 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in artikel 5a van de ABW en artikel 3 van de Abw.

Appellante heeft tijdens haar verhoor tegenover de Sociale Recherche verklaard dat [naam partner] vanaf oktober 1990 bij haar woont. Dat vindt bevestiging in de verrichte observaties, in het gegeven dat [naam partner] over een sleutel van de woning van appellante beschikt, op het telefoonnummer van appellante voor derden bereikbaar is en zijn persoonlijke bescheiden, waaronder zijn paspoort, zich in de woning van appellante bevinden.

Naar het oordeel van de Raad bieden de zojuist vermelde feiten en omstandigheden voldoende basis voor het oordeel dat appellante en [naam partner] voldeden aan het in de artikelen 5a van de ABW respectievelijk 3 van de Abw neergelegde huisvestingscriterium. Daaraan kan niet afdoen dat [naam partner] vanaf 2 december 1996 in de Gemeentelijke Basisadministratie op het adres [adres] te [woonplaats] staat ingeschreven, in welk verband de Raad aantekent dat de woning op dat adres op en na genoemde datum langere tijd geen ENECO aansluiting heeft gehad.

Voorts acht de Raad voldoende aannemelijk dat appellante en [naam partner] ten tijde in dit geding van belang tevens voldeden aan het in de eerder genoemde artikelen eveneens neergelegde zorgcriterium.

Appellante liet [naam partner] gebruik maken van haar woning en de daarin aanwezige voorzieningen. [naam partner] heeft de dochter van appellante bij de burgerlijke stand aangegeven. Appellante gebruikte de aan [naam partner] in eigendom toebehorende auto zonder daarvoor te betalen. De zoon van appellante gebruikte de scooter van [naam partner] die bij appellante in de schuur stond. Ook heeft [naam partner] bij zijn werkgever ten behoeve van de kinderen van appellante een computer gekocht die zich in de woning van appellante bevindt. Voorts doen appellante en [naam partner] gezamenlijk boodschappen, terwijl zij ook samen eten.

De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geval af te wijken van zijn vaste jurisprudentie dat van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat appellante haar verklaring niet in vrijheid dan wel onder onaanvaardbare druk heeft afgelegd. In dit verband tekent de Raad aan dat de kinderen van appellante tijdens haar verhoor 19 en 12 jaar oud waren zodat het niet aannemelijk is dat appellante, zich druk makend om haar kinderen, zo maar wat zou hebben verklaard. Ook ziet de Raad in de verklaringen van de zuster en de vader van appellante geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de door appellante afgelegde verklaring.

Appellante heeft gedaagde er in strijd met de ingevolge artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenverplichting geen mededeling van gedaan dat zij (ook) in de periode van 1 augustus 1993 tot en met 30 april 1998 met [naam partner] een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in de artikelen 5a van de ABW en 3 van de Abw. Gedaagde heeft het recht op uitkering van appellante over die periode dan ook terecht ingetrokken, waarbij voor de periode vanaf 1 juli 1997 geldt dat gedaagde daartoe verplicht was. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd was van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken.

Met het vorenstaande is gegeven dat over het in dit geding relevante tijdvak is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 57, aanhef en onder d, van de ABW respectievelijk artikel 81, eerste lid, van de Abw.

De Raad ziet voorts geen dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

Tot slot stelt de Raad vast dat het besluit van 6 juli 1999 - ook - wat betreft de periode van 1 augustus 1993 tot 1 maart 1997 op een onjuiste wettelijke grondslag berust. In de periode tot 1 januari 1996 waren ook de artikelen 5a en 30 van de ABW van toepassing, terwijl ingevolge artikel 4, tweede lid, aanhef en onder b, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in de periode van 1 januari 1996 tot 1 maart 1997 de Abw van toepassing was. Het besluit van 6 juli 1999 komt derhalve ook wat de periode van 1 augustus 1993 tot 1 maart 1997 betreft voor vernietiging in aanmerking, zodat ook de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

De Raad ziet echter, gelet op het hiervoor overwogene, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het besluit van 6 juli 1999 in stand te laten.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op 644,-- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 6 juli 1999 voorzover daarbij de uitkering van appellante is ingetrokken en teruggevorderd over de periode van 1 augustus 1993 tot 1 juli 1997;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het besluit van 6 juli 1999 in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van 644,--, te betalen door de gemeente Rotterdam;
Bepaalt dat de gemeente Rotterdam aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van 82,-- (f 170,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 augustus 2004.

(get.) B.J. van der Net.

(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.




Tegen uitspraken van de Centrale Raad van Beroep ingevolge de Algemene bijstandswet kan ieder der partijen beroep in cassatie instellen ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding volgens de wet. Dit beroep wordt ingesteld door binnen zes weken na de op dit afschrift van de uitspraak vermelde verzenddatum een beroepschrift in cassatie (gericht aan de Hoge Raad der Nederlanden) aan de Centrale Raad van Beroep in te zenden.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x