Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AQ7899
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 17-08-2004
Soort procedure: voorlopige voorziening
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: De financiële consequenties voor betrokkene van de uitvoering van de aangevallen uitspraak zijn niet voldoende zwaarwegend om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak voorzieningenrechter 04/3308 NABW-VV




U I T S P R A A K




inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, verzoeker,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. INLEIDING


Verzoeker heeft op de in het beroepschrift vervatte gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Haarlem op 12 mei 2004 onder reg.nr. 03-1959 NABW tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen. In hetzelfde schrijven is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Namens gedaagde heeft mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem, een verweerschrift ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 3 augustus 2004, waar verzoeker zich heeft doen vertegenwoordigen door G.S. Woudstra, werkzaam bij de gemeente Zaanstad, en gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer.




II. MOTIVERING


Verzoeker heeft aan gedaagde met ingang van 6 maart 2002 een uitkering toegekend ingevolge de Algemene bijstandswet naar de norm voor een alleenstaande.

Bij besluit van 4 september 2003 heeft verzoeker die uitkering met ingang van 1 september 2003 beëindigd op de grond dat gedaagde een gezamenlijke huishouding met M.K. Dütting voert.

Het tegen dat besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 11 november 2003 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent griffierecht en proceskosten - het tegen het besluit van 11 november 2003 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat verzoeker een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van haar uitspraak.

Naar aanleiding van het thans gedane verzoek om een voorlopige voorziening overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

Ingevolge de artikelen 18 en 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van een rechtbank of van de voorzieningenrechter van een rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
De mogelijkheid om hangende (hoger) beroep een verzoek om een voorlopige voorziening te doen is niet bedoeld om door middel van de zogenoemde “kortsluiting” de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen. Indien van enig spoedeisend belang bij een voorlopige voorziening voorafgaande aan de uitspraak in de hoofdzaak geen sprake is, is daarin een grond gelegen om geen gebruik te maken van de in artikel 8:86, eerste lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak en het verzoek om een voorlopige voorziening af te wijzen.

In de onderhavige zaak is naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

Bij uitvoering van de aangevallen uitspraak zou verzoeker aan gedaagde, die omstreeks 20 september 2003 is gaan werken, over een periode van ongeveer drie weken bijstand moeten verlenen.
Onder die omstandigheden zijn de financiële consequenties voor verzoeker van de uitvoering van de aangevallen uitspraak niet voldoende zwaarwegend om het treffen van een voorlopige voorziening te rechtvaardigen.

Evenmin kan het feit dat beroep bij de rechtbank is ingesteld tegen het besluit van verzoeker tot intrekking van het recht op uitkering van gedaagde over de periode van 6 maart 2002 tot 1 september 2003 en tot terugvordering van de over die periode gemaakte kosten van bijstand, aanleiding zijn tot het treffen van een voorlopige voorziening in de onderhavige zaak.
Aangezien de voorzieningenrechter ook anderszins niet is gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om verzoeker te veroordelen
in de proceskosten van gedaagde. Deze worden begroot op € 644,-- voor verleende rechtsbijstand.




III. BESLISSING


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;

Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb af;
Veroordeelt verzoeker in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag groot € 644,--, te betalen door de gemeente Zaanstad.

Aldus gewezen door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns, in tegenwoordigheid van mr. P.E. Broekman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2004.

(get.) J.M.A. van de Kolk-Severijns.

(get.) P.E. Broekman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x