Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR2302
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 07-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Omvang van het geding; argumentatieve fuik.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/4208 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lichtenvoorde, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank Zwolle op 9 juli 2002 tussen partijen gewezen uitspraak met reg.nr. 01/1269 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 27 juli 2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. B. ten Have, werkzaam bij de gemeente Lichtenvoorde, en waar gedaagde in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. L. Deiman, advocaat te Rotterdam.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontving vanaf 2 oktober 1996 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 19 november 1996 heeft appellant aan gedaagde bijzondere bijstand verleend in de vorm van borgtocht tot een bedrag van maximaal f 10.052,28 in verband met een lening bij de Intergemeentelijke Kredietbank, bedoeld voor woninginrichting en de aanschaf van een babyuitzet. Tevens is bij dit besluit aan gedaagde bijzondere bijstand toegekend tot een maandelijks bedrag van f 162,23 (lees: f 162,47) in verband met de aflossing van de lening ter hoogte van f 279,47 per maand. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Op 27 november 1996 hebben gedaagde en haar toenmalige partner, [partner], als kredietnemers van de Intergemeentelijke Kredietbank een “kredietovereenkomst persoonlijke lening” ondertekend waarbij onder meer is overeengekomen dat terugbetaling van het krediet zal geschieden in 36 maandelijkse termijnen van f 279,47, te rekenen vanaf 1 januari 1997.

In verband met de aan [partner] verleende toestemming om, in afwachting van de beslissing op zijn verzoek om een verblijfsvergunning, in Nederland te blijven is gedaagdes uitkering ingevolge de Abw bij besluit van 31 december 1996 met terugwerkende kracht tot 13 oktober 1996 gewijzigd naar de norm voor een echtpaar.

Bij besluit van 20 januari 1998 is aan gedaagde met ingang van 24 november 1997 een Abw-uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. Tegelijkertijd is aan gedaagde bijzondere bijstand toegekend tot een bedrag van f 31,87 per maand in verband met aflossing van de eerder aangegane lening, rekening houdend met een maandelijkse aflossing van 50% van f 279,47. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

Bij besluit van 12 maart 1999 is de uitkering ingevolge de Abw van gedaagde na 28 februari 1999 beëindigd.

Bij brief van 8 februari 2000 heeft de Intergemeentelijke Kredietbank aan appellant bericht dat de aflossing van de lening waarvoor appellant borg staat niet naar wens verliep en dat een betalingsachterstand was ontstaan. Vervolgens is bij brieven van 19 juni 2000 en 2 augustus 2000 aan appellant verzocht om op grond van de verleende borgstelling het resterende saldo met vertragingsrente, uiteindelijk in totaal f 3.243,75, te voldoen. Appellant heeft laatstgenoemd bedrag aan de Intergemeentelijke Kredietbank betaald.

Dit bedrag heeft appellant bij besluit van 28 september 2000 met toepassing van artikel 83, tweede lid, van de Abw van gedaagde teruggevorderd.

Bij besluit van 20 augustus 2001 heeft appellant het bezwaar tegen dit besluit ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 20 augustus 2001 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt. Voorts zijn beslissingen gegeven omtrent de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte niet onderzocht of er dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw aanwezig zijn op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.

Op 15 juli 2004 heeft appellant ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank een nieuw besluit op bezwaar genomen.

De Raad overweegt als volgt.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant in zijn besluit van 20 augustus 2001 de reikwijdte van artikel 78, derde lid, van de Abw heeft miskend. Dit artikellid moet ook worden toegepast indien kosten van bijstand worden teruggevorderd op grond van artikel 83, tweede lid, van de Abw.

Appellants opvatting dat de rechtbank ten onrechte het beroep van gedaagde op het bestaan van dringende redenen, welk beroep door gedaagde niet eerder dan in de procedure bij de rechtbank naar voren is gebracht, in haar beoordeling heeft betrokken onderschrijft de Raad niet. Wanneer zoals in het onderhavige geval een belanghebbende een grief tijdig kenbaar maakt aan de rechtbank en het bestuursorgaan in de gelegenheid is geweest gemotiveerd op die grief te reageren staat geen geschreven of ongeschreven rechtsregel eraan in de weg deze grief in de rechterlijke beoordeling te betrekken. Niet gebleken is dat gedaagde met het aanvoeren van haar grieven buiten de grenzen van het geschil is getreden of in een eerdere fase van de procedure welbewust ervan heeft afgezien bepaalde (mogelijke) gebreken van het bestreden besluit aan de orde te stellen.

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

Resteert de vraag of het besluit van 15 juli 2004, dat de Raad aanmerkt als een besluit dat op de voet van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht mede in de beoordeling moet worden betrokken, in rechte standhoudt.

Op grond van artikel 83, tweede lid, van de Abw worden kosten van bijstand voortvloeiende uit gestelde borgtocht van de hoofdschuldenaar teruggevorderd.

Uit het hiervoor overwogene blijkt dat appellant aan gedaagde bijstand in de vorm van borgtocht heeft verstrekt. Verder staat vast dat appellant door de Intergemeentelijke Kredietbank is aangesproken als borg voor een lening die de Kredietbank in 1996 aan onder andere gedaagde heeft verstrekt en dat gedaagde zijn verplichting tot terugbetaling jegens de Kredietbank niet volledig is nagekomen. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 83, tweede lid, van de Abw. Hieraan doet niet af dat ook [partner] partij was bij de kredietovereenkomst met de Intergemeentelijke Kredietbank en door de Kredietbank uit dien hoofde mede tot terugbetalen kan worden aangesproken.

De hoogte van het bedrag waarvoor gedaagde is aangesproken is niet in geschil.

Van dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, op grond waarvan appellant geheel of ten dele van terugvordering kon afzien, is niet gebleken. Naar vaste rechtspraak van de Raad kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbare sociale en/of financiële consequenties van een terugvordering voor de betrokkene. Het moet dan gaan om incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Van zodanige consequenties is de Raad in dit geval niet gebleken.

De Raad stelt voorts vast dat niet is gebleken van een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging van appellant, waarop een in rechte te honoreren beroep op het vertrouwensbeginsel kan worden gebaseerd. Een basis daarvoor kan met name niet gevonden worden in appellants besluit van 20 januari 1998. Gedaagdes (aflossings)verplichtingen jegens de Intergemeentelijke kredietbank zijn immers vastgelegd in de mede door gedaagde ondertekende kredietovereenkomst van 27 november 1996. Daaraan heeft het besluit van 20 januari 1998 niet kunnen afdoen.

Het vorenstaande brengt mee dat het beroep tegen het nadere besluit van 15 juli 2004 ongegrond dient te worden verklaard.

De Raad ziet ten slotte aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van gedaagde. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand en € 17,22 wegens reiskosten van gedaagde, in totaal € 661,22.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 15 juli 2004 ongegrond;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde tot een bedrag van € 661,22, te betalen door de gemeente Lichtenvoorde aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat van de gemeente Lichtenvoorde een griffierecht van € 409,-- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. R.M. van Male als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. I.D. Veldman als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 september 2004.

(get.) R.M. van Male.

(get.) I.D. Veldman.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x