Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR2732
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: BeŽindiging, intrekking en terugvordering van de bijstand wegens vermogen dat hoger is dan de grens van het vrij te laten vermogen (verzwegen bezit van een recreatiewoning). Afwijzing van de nieuwe bijstandsaanvraag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/1624 NABW en 02/1628 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Leeuwarden, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 31 januari 2002, reg.nrs. 01/381 en 01/964 ABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en op verzoek van de Raad nadere inlichtingen verstrekt.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 29 juni 2004, waar partijen - gedaagde met bericht - niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

Gedaagde ontving sedert 1988 een bijstandsuitkering, laatstelijk ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellante sedert 7 februari 2000 in het bezit is van een recreatiewoning, heeft de Sociale Recherche Regio Friesland-Noord een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante toegekende uitkering. In het kader van dat onderzoek is dossieronderzoek verricht, is gebruik gemaakt van de rapportage van de Belastingdienst en zijn appellante en twee getuigen gehoord.
Op grond van de resultaten van dit onderzoek, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in een rapport van 3 januari 2001, heeft gedaagde geconcludeerd dat appellante op 7 februari 2000 eigenaar is geworden van de aan de [adres] te [staanplaats] gelegen recreatiewoning, waarmee zij beschikt over een vermogen dat hoger is dan de grens van het in haar geval vrij te laten vermogen. Gedaagde heeft daarin aanleiding gezien om bij besluit van 2 januari 2001 de uitkering van appellante te beŽindigen - naar de Raad begrijpt per 1 januari 2001 - , het recht op uitkering over de periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 te herzien (lees: in te trekken) en de kosten van de over die periode aan appellante betaalde bijstand tot een bedrag van f 23.339,65 van haar terug te vorderen.

Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij besluit van 23 maart 2001 ongegrond verklaard.

Op 25 april 2001 heeft appellante bij gedaagde een nieuwe aanvraag voor een Abw-uitkering ingediend. Bij brief van 3 mei 2001 heeft gedaagde appellante uitgenodigd voor een gesprek over deze aanvraag en haar verzocht bij die gelegenheid gegevens mee te nemen, waaronder - samengevat - alle gegevens met betrekking tot de hiervoor bedoelde recreatiewoning. Appellante heeft vervolgens een aantal gegevens verstrekt. Daaruit bleek onder meer dat de woning op 28 februari 2001 voor f 100.000,-- was verkocht.

Bij brief van 2 juli 2001 heeft gedaagde appellante meegedeeld dat onvoldoende gegevens voorhanden zijn om de bijstandsaanvraag af te handelen en is vervolgens de termijn van afhandeling van de aanvraag opgeschort. Appellant is daarbij in de gelegenheid gesteld om uiterlijk 11 juli 2001 aan te tonen, ondersteund met stukken, dat geen sprake meer is van vermogen en daarbij aan te geven op welke wijze het geld dat is vrijgekomen door de verkoop van de woning is besteed. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 2 juli 2001 en geen nadere gegevens verstrekt.

Gedaagde heeft op 12 juli 2001 besloten - voorzover thans van belang - de aanvraag met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling te laten. Ook tegen dat besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 oktober 2001 heeft gedaagde de bezwaren tegen de besluiten van 2 juli 2001 en 12 juli 2001 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de tegen de besluiten van 23 maart 2001 en van 22 oktober 2001 ingestelde beroepen ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.



De beŽindiging, de intrekking en de terugvordering

Niet in geschil is dat appellante gedurende de gehele in geding zijnde periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 en ook nog op 1 januari 2001 eigenaar was van de woning aan de [adres] te [staanplaats].

In artikel 51 en volgende van de Abw is neergelegd wat onder vermogen wordt verstaan en welke vermogensbestanddelen, die bij de aanvang van de bijstandsverlening aanwezig zijn dan wel tijdens de bijstandsverlening worden ontvangen, als vermogen in aanmerking worden genomen. Het gaat hier om de waarde van de bezittingen waarover de betrokkene beschikt dan wel redelijkerwijs kan beschikken.
Zoals de Raad eerder heeft overwogen moet, mede gelet op artikel 7 van de Abw, de term beschikken zo worden uitgelegd, dat deze ziet op de mogelijkheid van een belanghebbende om de bezitting feitelijk te kunnen aanwenden teneinde in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 12 januari 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/96). Met betrekking tot het destijds in de woning [adres] te [staanplaats] gebonden vermogen betekent dit, dat die woning kan worden beschouwd als een in aanmerking te nemen bezitting waarover appellante beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, indien vaststaat dan wel redelijkerwijs aannemelijk is dat appellante die woning op 7 februari 2000 en in de gehele daarop volgende periode tot en met 1 januari 2001 had kunnen verkopen.

Naar het oordeel van de Raad doet die situatie zich hier voor. Hierbij is onder meer van belang geacht dat van enige beperking van de beschikkingsmacht van appellante met betrekking tot de in geding zijnde woning niet is gebleken. Voorts is in aanmerking genomen dat de woning is aangekocht voor een prijs (f 30.000,--) die ver onder de werkelijke waarde van de woning lag. Uit de gedingstukken blijkt immers dat de WOZ-waarde van de woning in het jaar van aankoop lag op f 59.000,-- , dat de woning in het kader van de vaststelling van het bedrag van de overdrachtsbelasting door een vanwege de Belastingdienst ingeschakelde taxateur naar de peildatum van 7 februari 2000 is getaxeerd op een waarde van f 110.000,-- en dat de verkoopprijs van de woning op 28 februari 2001 f 100.000,-- bedroeg.
Het voorgaande leidt de Raad tot de conclusie dat er op 7 februari 2000 dan wel in de periode daarna geen enkele belemmering was voor appellante om de woning direct te gelde te maken en tevens dat een verkoopprijs zou kunnen worden gerealiseerd die hoe dan ook ruim boven het door appellante betaalde aankoopbedrag zou zijn gelegen. Een en ander blijkt overigens ook uit het feit dat de woning, kort nadat begin 2001 deze te koop was aangeboden, is verkocht voor een bedrag van f 100.000,--. Vervolgens had appellante de vrijkomende gelden kunnen aanwenden voor de voorziening in haar bestaanskosten.

Gezien de taxatie door de Belastingdienst en de gerealiseerde verkoopprijs, gaat de Raad uit van een bezitting ter waarde van omstreeks f 100.000,--.
Daarmee beschikte appellante gedurende de gehele periode in geding over een vermogen dat de toepasselijke vermogensgrens als bedoeld in artikel 54 van de Abw (destijds f 10.300,--) ruimschoots te boven ging.
De Raad laat in het midden of sprake is van in aanmerking te nemen schulden van appellante bij haar kinderen. Ook indien het totaalbedrag van de schulden, waaromtrent is gesteld dat deze zijn ontstaan ter gelegenheid van de aankoop van de recreatiewoning, op het vermogen in mindering zou worden gebracht, is immers nog sprake van een vermogen dat in ruime mate ligt boven het vrij te laten vermogen. Andere op het positieve vermogen in mindering te brengen schulden zijn niet gebleken.
Het vermogen stond derhalve in de periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 en ook nog op 1 januari 2001 in de weg aan bijstandsverlening.

Appellante heeft van de eigendom van de woning [adres] te [staanplaats] geen mededeling aan gedaagde gedaan, zodat zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw op haar rustende inlichtingenplicht heeft geschonden. Als gevolg daarvan heeft zij ten onrechte een bijstandsuitkering ontvangen.

Gedaagde heeft die uitkering derhalve terecht beŽindigd. Tevens was gedaagde op grond van artikel 69, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gehouden om over de periode van 7 februari 2000 tot 1 januari 2001 tot intrekking van het recht van appellante op uitkering over te gaan. Van dringende redenen als bedoeld in artikel 69, vijfde lid, van de Abw op grond waarvan gedaagde bevoegd zou zijn geheel of gedeeltelijk van intrekking af te zien, is de Raad niet gebleken

Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor terugvordering met toepassing van artikel 81, eerste lid, van de Abw. De Raad ziet geen dringende redenen als bedoeld in artikel 78, derde lid, van de Abw, zodat gedaagde niet de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

In zoverre slaagt het beroep niet.



De afwijzing van de nieuwe aanvraag

De Raad is met de rechtbank van oordeel dat gedaagde de nieuwe aanvraag van appellante om bijstand terecht met toepassing van artikel 4:5 van de Abw buiten behandeling heeft gelaten. Hij onderschrijft in grote lijnen de overwegingen die de rechtbank tot dat oordeel hebben gebracht. De Raad voegt hieraan nog toe dat appellante met name aan gedaagde had behoren op te geven naar welke rekening(en) de notaris het door appellante vanwege de verkoop van de woning [adres] te [staanplaats] te ontvangen saldo, zoals voorkomend op de nota van afrekening van de notaris van 28 februari 2001, heeft gestort. Pas in de fase van het beroep bij de rechtbank, derhalve zonder meer te laat, heeft appellante een rekeningafschrift van een van haar kinderen waarop dat saldo voorkomt overgelegd.

Ook in zoverre slaagt het beroep derhalve niet.



Slotoverwegingen

Het voorgaande brengt mee dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. C. van Viegen als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x