Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR2862
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Weigering bijstand omdat betrokkene niet in voldoende mate inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in de periode in geding in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. Het recht op bijstand kan niet worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/2640 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eibergen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Deventer, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 9 mei 2003, reg.nr. 02/1356 NABW.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 augustus 2004 waar voor appellant is verschenen mr. H.H. van Steijn, kantoorgenoot van mr. Kobossen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door drs. S.G. Kruit, werkzaam bij de gemeente Eibergen.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 19 september 2003, reg.nr. 03/3992 NABW-VV waarbij het verzoek van appellant om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ter zake van de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2003 is afgewezen.

In geding is de vraag of gedaagde terecht de aanvraag van appellant van 27 november 2001 om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) onder verwijzing naar artikel 65, eerste lid, artikel 66, tweede lid, en artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft afgewezen aangezien het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad deze vraag bevestigend.
Ook de Raad is van oordeel dat gedaagde zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant inzichtelijk dient te maken hoe hij de in de periode voorafgaande aan de aanvraag in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. Ter zake van hetgeen appellant vervolgens aan gegevens heeft overgelegd is de Raad van oordeel dat appellant niet in voldoende mate inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze hij in die periode in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien. De Raad onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter van de Raad bij uitspraak van 19 september 2003 op dit punt heeft overwogen. Ook acht de Raad in dit verband van belang dat appellant op het aanvraagformulier van 27 november 2001 van het bestaan van de gestelde schulden (een bedrag van in totaal f 17.500,--) op geen enkele wijze melding heeft gemaakt ondanks dat hierover uitdrukkelijk vragen zijn gesteld. Appellant heeft op genoemd formulier slechts vermeld dat hij bij de ABN/AMRO bank een schuld heeft van f 2.500,--.
Hetgeen in hoger beroep namens appellant is aangevoerd leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid op van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x