Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR3193
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 21-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Betrokkene, die lijdt aan cara, heeft in verband met de daaruit voortvloeiende klachten een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand voor extra stookkosten. Weigering van deze bijzondere bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak enkelvoudige kamer 03/1012 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellante heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Assen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 24 januari 2003, reg.nr. 02/1043 Abw.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is, gevoegd met de gedingen met reg.nrs. 02/2378 NABW en 02/2655 NABW, behandeld ter zitting van 10 augustus 2004, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Brouwer en gedaagde door A.D. de Grave, werkzaam bij de gemeente Heerenveen.

Na de sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst.




II. MOTIVERING


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad, mede gelet op de gedingstukken, naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante, die lijdt aan cara, heeft in verband met de daaruit voortvloeiende klachten een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor extra stookkosten.

Bij besluit van 11 maart 2002 heeft gedaagde de aanvraag afgewezen, op de grond dat geen sprake is van noodzakelijke kosten als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Algemene bijstandswet.

Bij besluit van 13 augustus 2002 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 maart 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 13 augustus 2002 ongegrond verklaard.

Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat ter vermindering van haar klachten een kamertemperatuur van 22 C noodzakelijk is. Aangezien de gebruikelijke kamertemperatuur 20 C is, moet zij extra stookkosten maken. Appellante bestrijdt het door gedaagde aan zijn besluitvorming ten grondslag gelegde oordeel van de GGD-artsen, dat er geen directe relatie bestaat tussen de luchtvochtigheid en de (gezondheids)klachten van appellante.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Ter beantwoording van de vraag of in het geval van appellante extra verwarming van haar woning medisch noodzakelijk is, heeft gedaagde zowel ter voorbereiding van het - primaire - besluit van 11 maart 2002 als in het kader van de bezwaarschriftprocedure advies ingewonnen bij de GGD. Uit de ontvangen adviezen komt naar voren dat er geen medische noodzaak bestaat voor het extra verwarmen van de woning tot een temperatuur van meer dan 20 C. Indien de luchtvochtigheid door appellante met haar caraklachten als een probleem wordt ervaren, moet de oplossing niet worden gezocht in een hogere temperatuur, maar in een goede ventilatie en isolatie van de woning, aldus de GGD-artsen.

De Raad ziet evenals de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat gedaagde zijn standpunt over de medische noodzaak van de extra stookkosten niet op de adviezen van de GGD-artsen heeft mogen baseren. Appellante heeft ook in hoger beroep geen medische gegevens in het geding gebracht die de juistheid van haar stellingen terzake onderschrijven.
Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

De Raad ziet ten slotte geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. drs. Th.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 september 2004.

(get.) Th.G.M. Simons.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x