Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR3454
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 28-09-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Is de bijstandsaanvraag terecht afgewezen op de grond dat betrokkene niet heeft kunnen aantonen wat er met zijn vermogen is gebeurd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld?

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 03/4815 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. F.H. Barwegen, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 augustus 2003, reg.nr. 02/5312 NABW.

Gedaagde heeft bij wijze van verweer medegedeeld dat zij zich conformeert aan het standpunt van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.

Het geding is, tezamen met het geding nummers 02/3045 NABW en 02/3046 NABW, gevoegd behandeld ter zitting van 17 augustus 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Barwegen, en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.H.W. Fris, werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Na de gevoegde behandeling ter zitting zijn de gedingen weer gesplitst. In de onderhavige zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.




II. MOTIVERING


De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Op 9 februari 2001 heeft appellant mede namens zijn echtgenote uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) aangevraagd. Omdat uit een door de sociale recherche ingesteld onderzoek was gebleken dat appellant onder meer een bankrekening bij de Banque Populaire te Marokko had, waarop blijkens een bankafschrift van 25 februari 1999 een saldo van DH 59.3821,21 (omgerekend naar de toen geldende koers ongeveer f 150.000,--) stond, heeft gedaagde bij brief van 14 maart 2001 onder andere om een overzicht van deze rekening verzocht. Appellant heeft vervolgens slechts één bankafschrift van deze rekening van 15 februari 2001 overgelegd met daarop een saldo van DH 15.560,-- (omgerekend ongeveer f 3.000,--).

Bij besluit van 26 april 2001 heeft gedaagde de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant niet heeft kunnen aantonen wat er met zijn vermogen is gebeurd, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Gedaagde heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 april 2001 bij besluit van 22 oktober 2002 ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 22 oktober 2002 ongegrond verklaard. Zij heeft geconcludeerd dat appellant niet heeft voldaan aan de op hun rustende inlichtingenplicht, waardoor gedaagde niet heeft kunnen vaststellen dat appellant in zodanige omstandigheden verkeert dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat met de bankafschriften die bij brief van 3 augustus 2003 alsnog namens appellant in hoger beroep zijn ingezonden duidelijkheid is gegeven omtrent het verloop van de rekening.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

De Raad stelt vast dat in hoger beroep bij brief van 3 augustus 2003 weliswaar diverse afschriften van de bankrekening bij de Banque Populaire te Marokko zijn overgelegd, doch dat daarmee nog geen volledig inzicht is verkregen in het gebruik dat van deze rekening is gemaakt. De omstandigheid dat het saldo op deze rekening op een aantal peildata minder heeft bedragen dan het ingevolge de Abw vrij te laten vermogen neemt niet weg dat geen aannemelijke verklaring is gegeven voor stortingen op deze rekening op 21 januari 1998 en 15 mei 1998 van respectievelijk DH 385.000,-- en DH 189.000,-- en de betaling die met deze rekening is gedaan op 17 december 1998 van DH 580.000,--. Evenmin is voldoende duidelijkheid verkregen over een storting op 12 mei 1999 van DH 572.428,58, die blijkens een bankafschrift op 4 juni 1999 zou zijn geannuleerd. De stelling van appellant dat het zou gaan om een vergissing van de bank wordt niet ondersteund door verifieerbare bewijsstukken. De verklaring van de bank van 16 december 2002 dat het saldo is gecorrigeerd kan niet als zodanig worden aangemerkt, nu daarmee geen inzicht is gegeven in de reden van de correctie.
De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat appellant daardoor de ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw geldende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat gedaagde daardoor het recht op uitkering niet heeft kunnen vaststellen. Gedaagde heeft appellants aanvraag derhalve terecht afwezen.

Hieruit vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van der Ham en mr. J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 september 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

© Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x