Door gebruik te maken van deze website gaat u akkoord met de cookies voor Google-advertenties. Meer info.

 
 

 

St-AB.nl

 

 

 
                   

 
vorige

 

  
JURISPRUDENTIE   ---   Abw
x
LJN:
x
AR3492
Instantie:xxxxxxx Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak: 05-10-2004
Soort procedure: hoger beroep
Bron: Rechtspraak.nl
Essentie: Van de toegekende norm betaalt de gemeente een deel van de bijstandsuitkering aan betrokkene en een deel aan het pension waar hij verblijft. Door bij de afstemming van de bijstand aansluiting te zoeken bij de inrichtingsnorm is een redelijk gebruik gemaakt van de in artikel 109 van de Abw gegeven bevoegdheid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 
 

 

 
Uitspraak 02/3733 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemstede, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Namens appellant heeft mr. W. Boers, advocaat te Overveen, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 4 juni 2002, reg.nr. Awb 01-1336.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 augustus 2004, waar appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Boers, en waar gedaagde zich niet heeft laten vertegenwoordigen.




II. MOTIVERING


Appellant ontvangt vanaf 1986 een bijstandsuitkering van gedaagde naar de norm voor een alleenstaande met een toeslag van 20%.

Nadat de woning van appellant wegens een onbetaald gebleven schuld aan de woningbouwvereniging op 28 februari 2001 was ontruimd, heeft gedaagde hem per 1 maart 2001 in een pension geplaatst.

In verband hiermee is bij besluit van 20 maart 2001 de uitkeringsnorm van appellant ongewijzigd voortgezet, met dien verstande dat daarvan slechts een bedrag van f 456,10 per maand aan appellant wordt uitbetaald. Dit bedrag komt overeen met de zak- en kleedgeldnorm die wordt toegepast bij verblijf in een inrichting. Het resterende bedrag van de toepasselijke bijstandsnorm is door gedaagde aangewend ter betaling van de kosten van het pension ad f 1.992,90 per maand. Omdat dit bedrag niet toereikend was, heeft gedaagde tevens in de resterende pensionkosten bijzondere bijstand toegekend van f 904,35 per maand.

Bij besluit van 12 juli 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 20 maart 2001 ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de bijstand met toepassing van artikel 13, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) is afgestemd op de omstandigheid dat appellant verblijft in een pension, waar wordt voorzien in de kosten van voeding, bewassing, verwarming, onderhoud en dergelijke. Dit rechtvaardigt naar de mening van gedaagde afstemming op de inrichtingsnorm bedoeld als in artikel 31, eerste lid, van de Abw.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 juli 2001 ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd.
Hij meent dat hem ten onrechte slechts f 456,10 per maand wordt uitbetaald in plaats van de alleenstaandennorm, aangezien het pension waarin hij verblijft, gelet op artikel 1, aanhef en onder d, van de Abw, geen inrichting is.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook voor de Raad staat vast, dat het pension waarin appellant ten tijde in geding verbleef geen inrichting is in de zin van artikel 1, aanhef en onder g, van de Abw.

De Raad stelt voorts vast dat niet de toepasselijke norm in geding is, maar de omvang van het bedrag dat maandelijks aan appellant zelf is uitbetaald.

Ingevolge artikel 109 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders, indien en zolang er vanwege het bestaan of dreigen van schulden gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de belanghebbende zonder hulp niet in staat is tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen, aan de bijstand de verplichting verbinden dat de belanghebbende er aan meewerkt dat zij in diens naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verrichten.

In aanmerking genomen de schuld aan de woningbouwvereniging en de ontruiming uit de woning, alsmede de aanzienlijke hoogte van de pensionkosten, acht de Raad gegronde redenen aanwezig om aan te nemen dat appellant, zowel vanwege bestaande als vanwege dreigende schulden, zonder hulp van gedaagde niet in staat was tot een verantwoorde besteding van zijn bestaansmiddelen. Dat appellant de schuld aan de woningbouwvereniging in rechte bestrijdt doet hieraan niet af.

Gedaagde was derhalve bevoegd om de door appellant verschuldigde pensionkosten, deels door inhouding op de algemene bijstand en deels na toekenning van bijzondere bijstand, rechtstreeks aan het pension uit te betalen.

Ten aanzien van de vraag of gedaagde in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, door de hoogte van het maandelijks aan appellant zelf uit te betalen bedrag te bepalen op f 456,10 overweegt de Raad als volgt.

Blijkens de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 1991-1992, 22 545, nr. 3, p. 134) is een aparte bijstandsnorm voor personen in een inrichting gerechtvaardigd, omdat de inrichting voorziet in de kosten van voeding, huisvesting, verwarming, onderhoud en dergelijke.
Aangezien ten tijde in geding vanwege het pension in al deze elementaire bestaankosten was voorzien, heeft gedaagde, mede gelet op de in artikel 13, eerste lid, van de Abw neergelegde opdracht aan burgemeester en wethouders tot afstemming van de bijstand, voor de nog zelf door appellant te besteden middelen in redelijkheid kunnen aansluiten bij meergenoemde inrichtingsnorm.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak, zij het met verbetering van de gronden, voor bevestiging in aanmerking komt.

De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. R.H.M. Roelofs en mr. J.N.A. Bootsma als leden, in tegenwoordigheid van S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2004.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) S.W.H. Peeters.

 

 

 

 

 

                                          

 

    
 

x

   

home | jurisprudentie | jur. Abw | Abw | Wwb | sz-wetten | overige wetten | zoeken | volgende

Copyright Stichting Adviesgroep Bestuursrecht. Alle rechten voorbehouden.
x